Steden excelleren pas onder druk (17 juli 2017)


De mens is een onverbeterlijke wegkijker. Een struisvogel, een gemaksdier. De mens voelt pas urgentie als er wrijving ontstaat. Niet de lange, maar de korte termijn schudt ons wakker. Dat is ook het probleem bij zoiets als het klimaat. We schrikken wel van geritsel in de bosjes, maar niet van een mogelijke vloedgolf in 2037.

Als de mens klaarblijkelijk zo in elkaar zit, dan moeten planologen dus geritsel laten ontstaan als ze verandering willen. Geen morele vingertjes over toekomstige problemen, maar mensen nu wrijving laten ervaren. In groeiende en verdichtende steden zoals Amsterdam is dat volop gaande. Er is aarzeling: krijgen we er wel genoeg scholen in? Loopt het verkeer niet vast? Gaan huidige bewoners niet te veel protesteren?
Maar zoals bot het best groeit tegen de verdrukking in, zo excelleren steden ook pas onder druk. Dat was het geval in het Amsterdam van de 17e eeuw, en dat lijkt nu weer te gaan gebeuren. Juist nu komen innovatieve ideeën tot bloei: nieuwe transportvormen, nieuwe sanitatie, nieuwe oplossingen voor afval enzovoorts.

De oude wijsheid zei al dat wrijving glans geeft. Druk op de stad geeft ontwikkelkracht. De uitrol van het populaire, economisch succesvolle Amsterdamse centrummilieu zou niet kunnen plaatsvinden als er geen druk zou zijn. Druk vormt ook aanleiding voor bewoners om met elkaar in overleg te gaan. Het is me jaren geleden al opgevallen dat de meeste bewonersorganisaties zijn ontstaan uit een zorgpunt, uit iets waar een gezamenlijke strijd voor nodig was.

Deze filosofie heeft tal van consequenties voor de dagelijkse planologische praktijk. Zo stimuleert de Amsterdamse wethouder Eric van der Burg geen gezondheid door te wijzen op toekomstige gevaren, maar door de stad zo in te richten dat lopen en trappen handiger worden dan autorijden en liften. Zo moet je geen nieuwe functies tegenhouden uit angst voor problemen, maar vaker juist welkom heten, om daarmee de discussie over normen, duurzaamheid, deelauto's, metro of pakketbezorging urgenter te maken.

Verkeersplanologen zijn er als geen ander op getraind om wrijving tegen te gaan. Verkeersmodellen zijn gericht op vermijding van files en parkeerproblemen, terwijl congestie juist een teken is van stedelijk succes. Volgens de logica van de meeste verkeersmodellen kunnen dichtbebouwde stadswijken zoals de Jordaan helemaal niet functioneren. De berekeningen zouden er meteen op vastlopen, met dringende adviezen om de stad uit elkaar te trekken. En toch behoren deze hoogstedelijke wijken nu tot de meest geliefde van Nederland. We moeten daarom geen verkeersproblemen oplossen voordat ze zich hebben voorgedaan, maar mensen ze laten ervaren en ze zelf naar alternatieven laten zoeken. Verkeer moet zich aanpassen aan de stad, niet andersom.

Geen wonder dat innovatie minder goed gedijt in moderne, geplande wijken en steden. Er is weinig urgents om je druk over te maken, alles is er wrijvingsloos georganiseerd. Maar een stad waar het niet schipperen is met de ruimte, heeft juist een probleem. Daar wordt uiteindelijk een ander soort wrijving voelbaar: die van de stagnatie, de verveling, het minderwaardigheidscomplex. En dat is waarschijnlijk een gevaarlijker soort wrijving dan welke ontstaat bij groei. De verveling onder jongeren, omdat ze alles saai vinden. De berusting over de slappe huizenmarkt. De verbittering over de aantrekkingskracht van die drukke stad. De verzuchting onder winkeliers: "Hadden we maar een parkeerprobleem!"

Daarom moeten planologen stedelijke druk niet vermijden, maar opvoeren. En dat is niet hetzelfde als roekeloosheid. Geritsel is niet hetzelfde als een ontploffing. Ook bij bot geldt: als de verdrukking te groot wordt, dan groeit het niet, maar breekt het. Maar gezonde, gedoseerde druk geeft de stad de gelegenheid om beter te worden. Opereren op dat evenwicht: dat is waar de ware planoloog voor staat.




Ruimtelijke kwaliteit

(15 februari 2017)


Planologen en stedenbouwkundigen zijn immer op zoek naar de heilige graal in de ruimtelijke ordening: ruimtelijke kwaliteit. Het is een graal die veel belooft, maar zich weinig laat (be)grijpen. Talloze pogingen zijn er gedaan om 'kwaliteit' te omschrijven. Veelgehoorde definities gaan over 'belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde'. Of over de 'juiste functie', de 'juiste plek', de 'juiste vormgeving'. De provincie Overijssel definieert ruimtelijke kwaliteit volgens internet als: "Het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is." Vroeger, bij de provincie Gelderland, heb ik er ook al bijeenkomsten over meegemaakt, met vergelijkbare woordkeuzes.

Juist, geschikt, waarde. Maar onze mooie woorden hebben niet weten te voorkomen dat er talloze ruimtelijke mislukkingen zijn gerezen. Want het probleem met al onze kwaliteitsdefinities is dat die ons niet vertellen hoe we een gebied nu eigenlijk moeten inrichten. Ruim? Dichtbebouwd? Veel parkeerplaatsen? Groen? Divers? Gericht op verblijf of op doorstroming? We hebben dan misschien wel definities, maar geen gebruiksaanwijzing.

Robert Pirsig schreef in 1974 in Zen en de Kunst van het Motoronderhoud al dat kwaliteit wel kenbaar, maar niet definieerbaar is. De enige begaanbare weg is daarom het kenbare. Met een start in de realiteit, in plaats van de theorie. De vragen worden dan: welke bestaande menselijke omgevingen maken zich aan ons kenbaar als omgevingen met kwaliteit? Welke gebieden trekken veel mensen aan? Mensen die kwaliteit herkennen, het willen ervaren, er deelgenoot van willen worden? Welke gebieden gedragen zich als magneet?

Wie met die bril om zich heen kijkt, ziet al snel patronen. Zo trekken bijvoorbeeld Amsterdam, Gent of Dublin veel mensen aan. De woningmarkt is er krap, er zijn veel ondernemers, veel bezoekers. Steden die veel minder mensen trekken, zijn bijvoorbeeld Almere, Wolfsburg of Milton Keynes. En op stadsniveau lopen de drommen wel graag in De Pijp, maar niet in Slotermeer. Wel in Prenzlauer Berg, maar niet in Marzahn. Ik zou zeggen: kijk eens rond in die verschillende soorten omgevingen en benoem welke ruimtelijke ingrediënten mensen aantrekken en welke niet. En, daaraan gekoppeld: voor welke omgevingen hebben mensen veel geld over?

Mijn voorlopige stelling luidt dat besloten stedelijkheid op menselijke maat een grote succesfactor is. Dus: dichtheid, kleinschaligheid, diversiteit, gesloten bouwblokken, functiemenging, een beetje spontaniteit, met een geringe rol voor de auto. Als we meer ruimtelijke kwaliteit willen, dan moeten die ingrediënten dus vaker worden gebruikt bij de ruimtelijke kookkunst. Is dat geen mooie startoverweging voor de vele omgevingsvisies die de komende jaren zullen verschijnen?




De eigen mening van de ambtenaar

(29 mei 2016)


Iedereen kent de taferelen wel: ambtenaren die zich bij bijeenkomsten tegenover bewoners ongemakkelijk en geforceerd verschuilen achter de bestuurlijke werkelijkheid. Of, als die er nog niet is, bijna niets concreets durven zeggen.

"Daar kunnen nog geen mededelingen over worden gedaan."
"Dat wordt meegenomen in de afwegingen."
"Daar is nog geen standpunt over ingenomen."
"Daar wordt nog over nagedacht. Zodra er meer bekend is, krijgt u bericht."

Vaak betreft het taal met onbepaalde voornaamwoorden, alles erop gericht om de ambtenaar zelf irrelevant te maken. De ambtenaar gereduceerd tot zielloos werktuig, tot militant-neutraal representant van een geheimzinnige bureaucratie. Een van de slachtoffers van deze houding is de eigen mening van de ambtenaar. Die is er vaak wel natuurlijk, maar weggestopt onder dikke lagen management en bestuur.

Maar bewoners willen niet praten met een werktuig, maar met een persoon. Een normaal gesprek voeren, van mens tot mens. En mensen hebben nu eenmaal meningen. Een mening draagt zelfs essentieel bij aan je menselijkheid en daarmee aan je geloofwaardigheid en je effectiviteit. Ik snap wel dat je daar soms voorzichtig mee moet zijn, met je eigen mening, maar veel ambtenaren gaan er nu te krampachtig mee om. De ervaring en de vakkennis van professionals zijn meestal een verrijking van het publieke debat. Dus, verkondig je eigen mening, juist buiten de deur, tegen bewoners, op social media! Als je je daarbij houdt aan de volgende richtlijnen, kom je zelden in de problemen:

1. Benoem dat het je eigen mening is en dat die kan afwijken van wat je bestuur vindt.
2. Heb als doel om het publieke debat te verrijken, niet om de agenda of de reputatie van je bestuur te frustreren.
3. Respecteer en voer naar besten kunnen uit wat je bestuur uiteindelijk besluit. Ook dan mag je nog steeds je eigen mening erover uiten, maar verstoor het proces niet met gedram. Dat wil je van je kinderen ook niet als je al 'nee' hebt gezegd.

Tot slot, wellicht ten overvloede: houd het beschaafd, zowel qua inhoud als qua toon. Dat zou voor zich moeten spreken, maar ik zie tegenwoordig met lede ogen aan hoe de riolen van onze geesten steeds nadrukkelijker opborrelen op sociale media, in raadzalen en in de Tweede Kamer. Ja, in ons vrije land mag je juridisch gesproken alles en iedereen voor rotte vis uitmaken. Maar het hoeft niet.




De riskante samenleving

(20 april 2016)


Het is me wat, die participatiesamenleving. Verhalen over burgers in eigen kracht genoeg, maar over eigen risico hebben we het beduidend minder vaak. Vreemd, want die horen toch bij elkaar? Denk maar aan al die bankmanagers, die op eigen kracht miljoenen verdienen, maar hun risico's bij de belastingbetaler leggen. Eigen kracht zonder eigen risicobesef kan gemakkelijk tot uitwassen leiden. Daarom: eigen kracht = eigen risico. Maar is onze huidige cultuur daar wel klaar voor?

Zodra een kind haar nek breekt op een speeltoestel dat de buurman op eigen kracht in de openbare ruimte heeft neergezet, dan wordt ook de gemeente aansprakelijk gehouden.

Zodra er tijdens een hittegolf mensen overlijden, wordt de noodzaak van een 'hitteprotocol' gesuggereerd.

Zodra asocialen in hun eigen kracht worden gelaten, dan wordt er bij uitwassen geroepen dat daar eerder moet worden 'ingegrepen.'

Zodra er iets fout gaat met een tbs-er die in zijn eigen kracht is gezet, wordt de minister vol paniek ter verantwoording geroepen.

Zodra een pedoseksueel weer in zijn eigen kracht wordt gezet, rijst er opstand in de betreffende wijk.

Zodra een scooterrijder in Amsterdam zich op haar eigen kracht te pletter rijdt tegen een wegafzetting, wordt de gemeente aansprakelijk gesteld.

Zodra op de Bible Belt de mazelen uitbreken bij mensen die kozen voor eigen gezondsheidskracht, wordt gesuggereerd om inentingen verplicht te stellen.

Zodra een buurtbewoner op eigen kracht een eetkraam begint, komt de Voedsel- en Warenautoriteit hem vertellen waar hij allemaal aan moet voldoen.

Zodra ouders hun kinderen op eigen kracht op de achterbank van de auto zetten, dan wijst de politie hen op de verplichting van kinderzitjes.

Zodra een campingexploitant in zijn eigen kracht jong publiek werft, kijkt de overheid mee of ze hun levertjes niet bederven met alcohol.

Zomaar een greep. Vergelijk dit alles eens met bijvoorbeeld India, met trottoirs als gatenkaas. Wie zijn been erop breekt, heeft pech gehad. In de jaren '50 was dat in Nederland niet anders: leven in de openbare ruimte was veel meer op eigen risico. Nu kijken we bij narigheid meteen om ons heen wie we de verantwoordelijkheid (en de kosten) in de schoenen kunnen schuiven. Politici zijn mede zo krampachtig geworden omdat zij voor van alles schuldig worden gehouden.

Laten we het maar toegeven: in allerlei domeinen van ons leven zijn we risico's bij ons vandaan gaan organiseren. Fatalisme is uit de moderne woordenboeken verdwenen. Maar een overheid die het noodlot wil opheffen, wordt noodzakelijkerwijs totalitair, las ik laatst van Paul Frissen. Zo zijn we zelfs bereid om onze privacy en vrijheid op te geven om de eigen kracht van mogelijke terroristen te minimaliseren. En het blijft niet beperkt tot de overheid. De beheersingscultuur heeft zich ook genesteld in het commerciële domein, met garantiefondsen, airbags, beveiligingsbedrijven en verzekeringen zonder eigen risico. Er zijn zelfs verzekeringen voor sneeuwgarantie op de wintersport. Ja, zelfs luxerisico's worden steeds meer vermeden.

Risicoafschuiving is inmiddels zo onderdeel geworden van onze cultuur, dat de eigen kracht-ideologie daar weleens op kan stuklopen. Want risicoloze eigen kracht is zoiets als een gebraden sneeuwbal. Of een uitwas, zoals bankmanagers laten zien. Vraag jezelf eens eerlijk: de riskante samenleving, durf jij het aan?




Visie en procedures

(8 februari 2016)


Simpel gesteld zijn er twee soorten ambtenaren: degenen met visie en degenen van de procedures. Degenen die zien hoe iets zou kunnen zijn, of degenen die zien hoe iets nu eenmaal is. De vleugelaanvaller of de catenacciospeler.

Een gemeentelijke organisatie, en waarschijnlijk de meeste organisaties, gedijt het best als de soorten elkaar in balans houden. Want beide zijn nodig, maar beide hebben ook hun tekortkomingen. Een stadhuis vol met procedurelen wordt een Kafkaiaans, in zichzelf gekeerd stofnest zonder inhoudelijk richtingsgevoel, een stadhuis vol met visionairen wordt een ijdele, inefficiënte chaos. Maar de procedureel en de visionair die op gelijke voet met elkaar samenwerken, zijn tot grootse dingen in staat, met de stad als lachende derde.

De verzakelijking heeft ervoor gezorgd dat managementposities op stadhuizen vooral worden bezet door procedurelen. Zij vinden dat een visie simpelweg kan worden georganiseerd als dat af en toe nodig is. Daarom zetten zij vaak enkele visionairen op beleidsniveau in de organisatie. Maar steeds vaker, zo lijkt het, wordt ook dat niet meer nodig gevonden en wordt visie extern ingehuurd.
Andersom had het natuurlijk net zo goed gekund: visionaire managers die procedurekracht om zich heen organiseren in de mate die ze nodig hebben, zodat ze zich daar zelf niet druk over hoeven maken. Maar om een of andere reden hebben organisaties zich meestal niet zo ontwikkeld.

In hiërarchische organisaties sijpelt het dominante wereldbeeld van managers logischerwijs door naar de loyale werkvloer. En aangezien managers de voornaamste gesprekspartners zijn van wethouders, beïnvloeden zij ook het blikveld van onwennige, nieuwe wethouders. Visie speelt aldus een ondergeschikte rol in de besluitvormende ruggengraat van het stadhuis. Het dominante wereldbeeld is die van de procedure.

Raadsleden kunnen voor contragewicht zorgen. Ze hebben veel beslissingsmacht en zijn meestal geen procedurele types. Hun intrinsieke motivatie ligt vaak bij de toekomst van de stad. En de visie daarop. Maar met alle respect: hun visionaire bagage is vaak te beperkt om catenacciospelers volwaardig tegemoet te treden. Je merkt dat onder meer aan het gangbare idioom in de raadzalen. Wie tegenspel wil bieden aan degenen die al jaren aan de proceduretafels zitten, moet van goeden huize komen.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat veel gemeenten uit balans zijn. De procedurelen zitten in hun comfortzone, touwtjestrekkend op sleutelposities. De visionairen zijn met weinigen, onmachtig, of staan geparkeerd op tijdelijke, externe posities. Als deze onbalans maar lang genoeg duurt, vreet het het wereldbeeld aan van iedereen die zich met de publieke zaak bemoeit. De procedure wordt de maat der dingen. Misschien dat mede daardoor de maatschappelijke onvrede broeit en de gevaarlijke roep om een sterke leider groeit. Daarom pleit ik met kracht voor een herintroductie van visionairen op gemeentelijke managementposities.

Zouden ze het zelf willen?




Durf te dromen!

(20 december 2015)


Dit is een slogan van het opleidingsprogramma van de gemeente Den Helder. Mooi, maar dromen zijn de realiteit niet. Kort geleden heeft een Noord-Hollandse D66-gedeputeerde die ook durfde te dromen zijn functie neergelegd uit teleurstelling over het doodgebloede politieke bedrijf. Ja, werken binnen de overheid kan gortdroog zijn. Zo lees ik net dat de VVD klimaatdoelstellingen afwijst als 'onrealistisch'. Veelzeggend. Niet om het klimaat, maar omdat energiegevende dromen zelden de Nederlandse overheidsgebouwen weten te verlichten.

In het klein gaat het net zo. Aan projecttafels in mijn gemeente Den Helder gaat het vaker over budgetten, procedures en communicatiestrategieën dan over een gezamenlijke droom waar we bereid zijn harder voor te werken. Zelfs als het om bewonersparticipatie gaat, wordt dat vaak opgevat als opgave, als hobbel, als onderdeel van de procedure.

Stedenbouwkundige Adriaan Geuze sprak in de laatste Zomergasten op tv: "We hebben procedures, maar we hebben geen toekomst." Inderdaad: de juiste procedures leiden nog niet per se tot iets waar we enthousiast van worden. Ik voel in mezelf soms lamlendigheid als wat ik doe niet bijdraagt aan een droom, aan iets moois. En ik ben de enige niet. Als ik me niet vergis, vormt dit een belangrijke reden waarom het veel bewoners niet boeit wat hun gemeente doet.

Gelukkig doe ik ook boeiende dingen. Ik laat bewoners in een Helderse buurt hun eigen buurttoekomst dromen. Dat gaat heel leuk, maar je merkt dat veel van hen daar niet aan gewend zijn. We uiten vaker een kleine klacht dan dat we nadenken over een positieve toekomst. Net als al die bewoners die we een tijd terug in een enquête vroegen waar ze goed in zijn. Ergens goed in zijn? Nee, dat was hen maar weinig gevraagd, en al helemaal niet door de gemeente.

Ik ben ambtenaar genoeg om te erkennen dat procedures hun waarde hebben en dat doelmatig werken een deugd is. Maar dromen en idealen zijn dat in dezelfde mate. Als een droom onrealistisch lijkt, wil dat nog niet zeggen dat je je er niet door mag laten leiden. Verbeeldingskracht is niet alleen voor zwevers en fantasten, het vormt een drijvende kracht van een goede overheid. En, misschien nog belangrijker: voor burgers. Want perspectieven op iets moois zijn de beste stimulansen voor een actieve samenleving. Dromen dus! Wie durft?




Vragen, vragen, vragen

(31 oktober 2015)


Bedenk eens een willekeurig overleg van managers of beleidsmedewerkers met een ingewikkelde publieke kwestie op de agenda. Iets in de transitie van het sociaal domein bijvoorbeeld. Wie erop let, constateert dat er bij zo'n overleg meer vragen dan antwoorden zijn te bewonderen.

"Waar we vooral met de afdelingen X en Y over na moeten denken is hoe we omgaan met de nieuwe verhoudingen in de netwerksamenleving."
"De ontwikkelingen in wijk X nopen ons tot het stellen van fundamentele vragen over de effectiviteit van ons welzijnsbeleid."
"De hamvraag is hoe we de veiligheid van burgerinitiatieven kunnen waarborgen zonder er afbreuk aan te doen."

Vragen, vragen, vragen. Maar vaak zijn er aan het eind van zo'n overleg weinig antwoorden, wat mede veroorzaakt dat vergaderingen zo'n slechte reputatie hebben. Want wat hebben we eraan als we eindigen met dezelfde vragen als waarmee we waren begonnen? Onkunde is het, verbloemd met ernstige gezichten en een gezaghebbende, gedragen toon waarmee de vragen aan de vergadertafel worden geformuleerd. Sommigen beheersen de kunst van het formuleren zo goed dat het lijkt alsof ze met hun vraag het fundament onder de relativiteitstheorie van Einstein hebben weggeslagen. Knap, maar het blijft onkunde in een welbespraakte verpakking.

Aan de andere kant: hoogleraar Roel in 't Veld zei op het podium van enkele LPB-congressen geleden op wijze toon dat hij "heeft geleerd dat vragen niet beantwoord dienen te worden." En in Socratische gesprekken is het stellen van vragen minstens zo belangrijk als het formuleren van antwoorden. Misschien is het dus wel een teken van wijsheid, al die vragen. Alleen wijze geesten beseffen immers dat de waarheid onbereikbaar is en optimale antwoorden dus niet bestaan.

Dat zal misschien best, maar overheidsorganisaties worden uiteindelijk wel geacht om producten en diensten te leveren. Direct of indirect zijn de meeste overleggen daar dan ook wel degelijk op gericht. Wie blijft hangen in existentiële vragen, hoe wijs ook, krijgt niets uit zijn handen. En dat is dus toch een gebrek aan lef en inschattingsvermogen om duidelijke keuzes te maken in de mistige werkelijkheid. Daarom ben ik een groot aanhanger van de zegswijze die wijsheid en daadkracht schitterend overbrugt: "Ik twijfel altijd, maar aarzel nooit."




Het participatiecasino

(2 oktober 2015)


Net als de meeste andere wijkwerkers werk ik op het grensvlak tussen de formele en de informele wereld. De zone dus waar de participatiesamenleving vorm krijgt, maar we zouden het ook een financieel casino kunnen noemen. Denk maar even mee.

Ik zit regelmatig bij wijkoverleggen met een mengsel van betaalde en onbetaalde krachten, terwijl ik de rechtvaardiging ervan soms maar moeilijk kan vinden. We werken op gelijke voet ten opzichte van elkaar en doen het allemaal voor de publieke zaak. Ik zie mensen die vele uren per week aantoonbaar hun buurt verbeteren, maar voor wie zelfs een vrijwilligersvergoeding al moeilijk te regelen is, en tegelijkertijd zie ik goedverdienende consultants op het stadhuis met een aanzienlijk minder waarneembare invloed op de kwaliteit van een buurt. De hoogste bazen voor wie zij werken zijn gemeenteraadsleden, die voor hun verantwoordelijke taak minder ontvangen dan iemand die in de bijstand zit. Publiek werk: haar verdiensten en haar nut gaan allesbehalve gelijk op.

De vrijwilligers van Buurtbemiddeling Den Helder leveren nuttige prestaties waar veel professionals niet toe in staat zijn. Zij krijgen niets betaald, maar hun cursusleider wel. Waarom dat verschil? Als ik een gezonde vrouw bardienst zie draaien in een buurthuis, dan denk ik weleens: waarom doe je datzelfde werk niet in de kroeg verderop, waar je elke avond met honderd euro naar huis gaat?

De verschillen zijn nog pregnanter bij publieke diensten die zijn 'verparticipeerd': veel wijkbibliotheken, busdiensten of jongerencentra werden jaren gerund met betaalde krachten, maar nu met vrijwilligers. Het gekke is: die zijn vaak nog gemakkelijk te vinden ook. Lovenswaardig vinden we het, al die mensen die zich zo belangeloos inzetten voor de samenleving. Blauwe plekken hebben ze ervan, van al die bestuurlijke schouderklopjes.

Behalve als diezelfde vrijwilligers een uitkering hebben. Dan verandert hun nuttige werk opeens in een schadelijke belemmering voor 'echt' werk. In theorie kunnen het zelfs de voormalige professionals zijn die in de bijstand zijn gezet. Zij krijgen voor hetzelfde werk nu niet meer betaald en zijn als beloning een last voor de samenleving geworden. Publieke held of publieke last: de twee kwalificaties liggen soms akelig dicht bij elkaar.

Ja, maar vrijwillig is vrijblijvend, hoor ik u denken. Daarom krijgen ze niets betaald. Maar die vlieger gaat niet op. Bij veel organisaties krijgen vrijwilligers een contract en een tevoren vastgelegd, niet-vrijblijvend werkrooster. Daar komt bij dat vrijwilligerswerk door de overheid in een steeds minder vrijblijvende context wordt geplaatst. Het morele beroep op een actieve bijdrage aan de samenleving groeit, hier en daar gestimuleerd met een 'mantelzorgcompliment', of met regelrechte dwang (werken voor je uitkering!). Dit alles maakt 'onbetaald werk' eigenlijk een betere term dan 'vrijwilligerswerk'. Want sinds de afschaffing van de slavernij is elk werk toch vrijwillig?

De participatiesamenleving lijkt soms op een roulette, waar de balletjes met geld naar volslagen willekeurige cijfertjes rollen. Het is een vreemde wereld, waarin het nauwelijks is uit te leggen waarom voor publiek werk wordt betaald of waarom niet (meer). We moeten daarom op zoek naar een manier die de scherpe randjes van deze willekeur haalt. Voor mij vormt dit een van de sterkste argumenten voor een basisinkomen.




Buurtbewoners betrekken gemeente bij visieproces

(10 juni 2015, geïnspireerd op www.speld.nl)


Bewoners van de Schildersbuurt hebben besloten om de gemeente te betrekken bij het maken van een visie op hun buurt. Dit heeft de buurtvereniging zojuist bekendgemaakt.

Volgens de voorzitter van de buurtvereniging vormt deze stap een belangrijke breuk met het verleden. "Jarenlang hebben we alle visie- en beleidsprocessen zelf doorlopen, maar daar hebben we niet langer de middelen voor. Bewoners trekken zich langzaam terug op hun kerntaken: steeds harder werken voor steeds minder geld, en dan hebben ze ook nog hun gezin en de kroeg. Bovendien zie je waar al dat gepamper op is uitgedraaid: achteroverleunende ambtenaren die er wel erg gemakkelijk van uitgaan dat de buurtvaders alles opknappen. De gemeente zal nu zelf meer verantwoordelijkheid moeten nemen."

Participatiesamenleving
Bij een rondgang op straat blijkt dat deze visie breed wordt gedeeld. Een bewoner van de Rembrandtstraat denkt dat de eigen kracht van bestuurders en ambtenaren veel meer kan worden benut. "Er is niets mis mee om van hen een bijdrage te vragen. We leven nu tenslotte wel in de participatiesamenleving." Een bewoner van het Vermeerhof ziet nog een ander voordeel: "We denken dat er onder ambtenaren best kennis over onze buurt aanwezig is. Dat willen we aanboren. Zo snijdt het mes aan twee kanten." Verscheidene buurtbewoners zeggen participatie ook te zien als middel om op het stadhuis meer draagvlak te creëren voor wat er in hun buurt gebeurt. Men hoopt dat gemeentelijke juristen dan minder vaak gerechtelijke procedures aanspannen om buurtinitiatieven tegen te houden.

Scepsis
Het betrekken van gemeenten is een landelijke trend, die onder deskundigen bekendstaat als de 'kanteling', of de 'transitie'. Toch heerst er op het stadhuis vooralsnog scepsis. De gemeentelijk wijkmanager moet het allemaal nog zien: "Bewoners hebben jarenlang besluiten genomen in achterbuurtjes, terwijl wij stelselmatig zijn genegeerd. Participatie is tot nu toe een farce gebleken." Bovendien zegt hij ervoor te passen om alleen maar de gaten te vullen voor bewoners die nu opeens geen tijd meer hebben voor hun eigen buurt. "Bestuurders en ambtenaren willen serieus genomen worden. Wij wonen weliswaar niet in die buurt, maar buurtbewoners moeten beseffen dat kennis van beleid en procedures ook van belang kan zijn." Toch probeert de wijkmanager positief te zijn: "Ik hoop echt dat nu ook de buurt gaat inzien dat samen optrekken het meeste oplevert voor iedereen."


Mens en bureaucratie: een gedwongen huwelijk

(19 januari 2015)


Franz Kafka schreef er al over: de mens heeft een problematische verhouding met de bureaucratie. Hoewel de bureaucratie is geschapen door de mens zelf, passen zij niet bij elkaar. Menselijkheid versus regels, leefwereld versus systeemwereld. De mens die een bureaucratie (zoals een stadhuis) binnentreedt, kan na verloop van tijd bewust of onbewust drie mechanismen ontwikkelen om ermee in het reine te komen.

De eerste is de verwording tot beleidsautist. Dit mechanisme zorgt ervoor dat de mens bureaucratie en beleid als de maat der dingen gaat beschouwen. De beleidsautist brengt zichzelf in de illusie dat de bureaucratie het centrum van de wereld is. Hij wordt de bureaucratie. Het spreekt voor zich dat de beleidsautist weinig openstaat voor burgerinitiatieven, om de simpele reden dat ze niet in het bureaucratische wereldbeeld passen.

De tweede is de verwording tot leefwereldbureaucraat. De mens vormt hier de bureaucratie naar zichzelf, terwijl hij of zij er wel loyaal aan blijft. De bureaucratie wordt als het ware de leefwereld, met veel sociale cohesie, roddels en kinderfoto's op het bureau. Deze sferen ziet men bij uitstek op secretariaten, maar niet alleen daar. Ook leefwereldbureaucraten staan meestal weinig open voor de buitenwereld, omdat die een inbreuk pleegt op het besloten gezelligheidsgevoel. Je laat een wildvreemde tenslotte ook niet zomaar binnen op je verjaardagsfeestje.

De laatste is de verwording tot verzetspleger. Verzetsplegers vertonen hardnekkige afstotingsverschijnselen ten opzichte van de bureaucratie en proberen haar wetten van binnenuit om te vormen naar de wetten van de leefwereld. Hoewel zij dat meestal doen met de beste bedoelingen, vormen zij een gevaar voor de stabiliteit van de bureaucratie. Zij staan dermate open voor de buitenwereld, dat zij de bureaucratie er regelmatig mee in verlegenheid brengen.

In de praktijk kunnen de drie mechanismen bij een en dezelfde persoon door elkaar heen lopen, al naar gelang de gemoedstoestand waarin hij of zij verkeert. Ook de stereotype beleidsautist heeft op een slecht moment weleens een oprisping tot verzet, en ook de leefwereldbureaucraat kan soms erg formeel doen op momenten dat het even uitkomt. Waarschijnlijk zijn mengvormen het gezondst, aangezien elk mechanisme zijn evidente gevaren in zich draagt. Wijkambtenaren behoren zich uiteraard vooral te bedienen van het verzetsmechanisme, maar ook zij zullen zich daarin moeten matigen om zichzelf en de bureaucratie niet onmogelijk te maken. Stel jezelf eens de vraag: welke mechanismen zitten in jou? En heb je daarin de juiste mix bereikt?


De wijkwereld volgens Jane Jacobs

(9 november 2014)


Urbaniste Jane Jacobs heeft in 1961 met 'The Death and Life of Great American Cities' een tijdloos meesterwerk afgeleverd. Dit boek geniet heden ten dage een groeiende belangstelling en kan voor wijkambtenaren een grote inspiratiebron zijn. Een van de meest voorkomende zinsneden in de Death and Life is "In real life...". Waarna steevast een nuchtere beschrijving volgt van hoe menselijk gedrag in een wijk nu eenmaal gaat. Jacobs zette zich daarmee af tegen theoretici en ideologen die dachten de stad te kunnen begrijpen in termen van separate functies, normen en gemiddelden.

Iedereen kent ze wel: percentage sociale huur, vierkante meters groen per inwoner, parkeernorm X voor functie Y, meters winkelvloeroppervlak per inwoner, enzovoorts. Wie een stadswijk ziet als de som van van bovenaf geformuleerde deelopgaven lijkt orde te scheppen, maar doodt de stad volgens Jacobs met diezelfde handbeweging. Want zo'n benadering veronderstelt de wijk en haar bewoners als statisch en inert.

Juist wijkambtenaren ervaren dat een wijk dat juist niet is! Een wijk is een complex, dynamisch ecosysteem waar vele functies elkaar ondersteunen en continu op elkaar inwerken. En dat is geen chaos, maar een grootse, zelf-regenererende kracht. Degenen die daar het meeste inzicht in hebben, zijn niet de professionals van het stadhuis, maar de gezamenlijke bewoners zelf. Met alle respect voor onze hedendaagse transitiedenkers, maar eigenlijk heeft Jacobs het hele idee van burgerkracht al in 1961 op papier gezet.

Het is dit fundamentele inzicht, deze manier van kijken naar een wijk, dat Jane Jacobs tot een geestverwant maakt van de hedendaagse wijkambtenaar. Want zijn wijkambtenaren niet bij uitstek degenen die zonder last van een specifieke beleidssector met bewonersogen naar een wijk kijken? Zijn zij niet bij uitstek degenen die bij hun werk niet de systeemwereld, maar de leefwereld centraal stellen, net zoals Jacobs deed? Inderdaad.

Jane Jacobs geeft je meer inzicht in de rol van burgers, in je eigen rol en vooral ook in de rol van de rest van het stadhuis. Want de munitie die de grand old lady van de stadsplanning je geeft, is uiterst waardevol bij je dialoog met de door Jacobs zo vermaledijde sectordenkers die nog steeds behoorlijk gangbaar zijn in de Nederlandse stadhuizen.


De feilbare professional

(28 april 2014)


Het is misschien de crisis, maar wat adverteren er toch veel mensen op hun websites of op LinkedIn met hun veelzijdigheid: strategie, cocreatie, ontwerp, projectmanagement, advies. Steeds vaker wordt ook bewonersparticipatie er als drijfveer en expertise bijgehaald. Wie hedendaagse persoonsprofielen beziet, krijgt de indruk dat zwakke eigenschappen met uitsterven worden bedreigd. Wie zijn eigen zwakke punten wel (er)kent, moet er temidden van al die supermensen een stevig minderwaardigheidsgevoel aan overhouden.

Maar wie reëel is, weet dat de geschiedenis slechts weinig exemplaren van de homo universalis heeft voortgebracht. Al die overvolle profielen stralen, zeker in crisistijd, vooral opportunisme uit. Wie alleskunde verkoopt, verkoopt in werkelijkheid vooral gemeenplaatsen en middelmatigheid. En onduidelijkheid, vergelijkbaar met een Praxis die ook snoepgoed en kinderfietsen verkoopt, of een Action waar je van tevoren helemaal niet weet wat je binnen aantreft. Zeker bij zzp-ers is dat geen selling point. Een zzp-er wordt immers vaak ingehuurd voor zijn of haar specifieke toegevoegde waarde. De meesten zien zichzelf liever niet als een willekeurige doos die argeloos naar een lege plek geschoven moet worden. Dit krampachtige dilemma wordt mooi zichtbaar bij alle pogingen om een sfeer van authenticiteit rondom de eigen persoon te creëren. Heb je met je universele kwaliteiten net aangetoond over een reliëfloos profiel te beschikken, beweer je vervolgens dat je unieke drijfveren hebt.

Onze omgeving is echter medeverantwoordelijk voor deze eigenaardigheden. De druk bijvoorbeeld om 'Ambtenaar 2.0' te worden neemt toe. De ondernemende, netwerkende ambtenaar wordt een doctrine in plaats van een keuze. Vele opleidingsprofessionals helpen ons graag te geloven in de haalbaarheid van alleskunde voor iedereen. Mis je een competentie? Geen nood: alles valt te leren! Maar van elke ambtenaar een Ambtenaar 2.0 maken zal zowel onhaalbaar als onwenselijk blijken. Enkele van mijn collega's hebben enigszins provocerend 'Ambtenaar 1.0' op hun deur geplakt en verdedigen dat met verve. Een medewerker die goed is in ontwerpen, hoeft niet per se ook degene te zijn die moeilijke bewoners tegemoet treedt. Systeemtaken zijn anders dan wijktaken. En ze vragen om andere competenties. Juist diversiteit maakt een organisatie sterk. Arbeidsdeling is de basis van onze welvaart. Wie grabbeldozen met competenties verkoopt, is de Action van de professionals: goedkoop en weinig begerenswaardig. Wie kwaliteit wil, zoekt mensen die hun zwakheden erkennen. Want wie z'n zwakheden accepteert, maakt energie vrij om z'n kwaliteiten te laten groeien. Ja, de homo feilbaris is waardevoller dan we onszelf vaak voorhouden.


Een zorgelijk compliment

(19 januari 2014)


Mocht mijn vrouw invalide worden, dan zorg ik voor haar. Ik blijf dan wie ik ben, maar voor de overheid transformeer ik in een mantelzorger. Zodra de overheid ergens een term voor bedenkt, lijkt het z'n vanzelfsprekendheid te verliezen, maar dat weerhoudt ambtenaren er niet van om er regelmatig nog een schepje bovenop te doen.

Op het laatste LPB-congres wees een Groningse collega me op het bestaan van het 'mantelzorgcompliment'. Mijn eerste gedachten dwaalden langs een bosje bloemen. Maar omdat ambtenaren beter overweg kunnen met papier, is gekozen voor een financiële regeling. De Sociale Verzekeringsbank schrijft: "De overheid heeft veel waardering voor het werk van mantelzorgers. Als blijk van waardering kunnen zorgvragers hun mantelzorger voordragen voor een mantelzorgcompliment." De aanvrager blijkt zich tussen alle pillen en steunkousen door een weg te moeten banen door indicatiestellingen, kaders, overgangsregelingen en uitzonderingsbepalingen. Er is in de regeling zelfs rekening gehouden met de theoretische omstandigheid dat de zorgvrager is overleden op het moment dat het aanvraagformulier wordt ontvangen. Voorts is er een 'vaste beoordelingsdatum'. Want hier oordeelt niet mijn vrouw, maar de overheid over mijn handelen. Wie aan alle voorwaarden voldoet, wacht een jaarlijkse overboeking van 200 euro. Zo'n scheefgroei tussen moeite en resultaat heb ik niet vaak aangetroffen. Miljardeninjecties aan foute banken worden naar verhouding gemakkelijker verstrekt.

Alle mitsen en maren in de regeling verraden een angst voor profiteurs die de complimenten onder de dekmantel van zorg bij de overheid vandaan roven. Ondanks alle veiligheidskleppen worden er jaarlijks ruim 300.000 complimenten aangevraagd en verstrekt, lees ik op Wikipedia. Hebben Nederlanders zoveel behoefte aan complimenten, of komen ze gewoon als kippen op de graantjes af?

Dit brengt me bij het meest bedenkelijke aan dit alles: het gebruik van begrippen in de verkeerde context. Zodra complimenten worden verkregen via aanvraagformulieren, houden zij op te bestaan. Een compliment is een spontane ingeving, een contactmoment, geen transactie. Hoe voelt een compliment nog als deze wordt gegenereerd door een anoniem systeem? Nietszeggend, contactloos. Met het mantelzorgcompliment versysteemt de overheid de leefwereld op stiekeme wijze. Want anders dan bij echte contactmomenten hangt er boven een handeling van een bezuinigende overheid een dreiging. Het compliment klinkt warm en onschuldig. Nu is het nog een compliment voor de mantelzorger, maar straks wordt het een heffing voor wie het niet doet. De heffing is de tik op de vingers van de systeemwereld. Hoe zwaarder het oordeel van de staat gaat tellen, hoe meer we beleidsgestuurde staatsvrijwilligers worden. Het compliment verliest z'n onschuld.

Het vermengen van leef- en systeemwereld is geen eenvoudige opgave en lang niet altijd aanbevelenswaardig. Ondoordachte vermenging kan tot rare toestanden leiden, met een overheid die de mantel der liefde probeert te zijn, maar luis in de pels wordt. Met de participatiesamenleving in het vooruitzicht en onwennig aan knoppen draaiende systeemambtenaren staan ons ongetwijfeld nog bijzondere dingen te wachten. Ik verheug me nu al op het kindervoorleescompliment.


Het ongelukkige huwelijk tussen participatie en bezuinigen

(4 december 2013)


Toen ik mij laatst bij een nieuwe collega voorstelde als wijkmanager, zei ze: "Interessant, die zijn belangrijker geworden." Ze sloeg de spijker op de kop, maar soms vraag ik mij af of we daar blij mee moeten zijn.

Wijkambtenaren worden opeens gezien als prima gereedschap om de participatiesamenleving mee in te regelen. Zij zijn bij uitstek geschikt om systeemverantwoordelijkheden over wankele bruggetjes naar de burgerwereld te brengen zonder dat er essentiële dingen over de reling vallen. Want dat is de belofte van het groeiende leger aan burgerkrachtadvocaten, waar onze Koning zich in z'n troonrede bij aansloot: een overheveling van taken naar de burger zonder kwaliteitsverlies voor de samenleving als geheel. Nee, zelfs met kwaliteitswinst, en dat met minder geld! Je gaat bijna denken waarom we dit niet veel eerder hebben bedacht. Welnu: omdat het te mooi is om waar te zijn.

Veel burgerinitiatieven zijn goedbedoeld, maar kruimelwerk in de marge. Overheidje spelen blijkt bovendien in de praktijk niet zo gemakkelijk. Dat hebben mensen als Klaas Mulder, René Cuperus en Raul Lansink recentelijk overtuigend betoogd. Burgerinitiatieven leunen voor hun voortbestaan meer op publiek geld en aandacht dan Haagse wensdenkers hopen.

In Den Helder hebben we sinds enige tijd enkele buurtbeheerbedrijven. Leveren ze kwaliteit? Ja, vaak wel. Genereren ze meer betrokkenheid in hun buurt? Dat zeker. Bovendien dwingen zij de gemeente ook nog eens tot een flexibeler werkhouding. So far so good, dus. Maar is het ook goedkoper? Nou, nee. Zonder startsubsidie zouden zij het niet hebben gered. Zij vragen nog steeds meer aandacht dan een reguliere aannemer. Zij ontvangen gemeentelijke beheergelden. En dan heb ik de uren die ik er als wijkmanager in heb gestoken nog niet eens meegerekend.

Met sociale wijkteams is het al niet veel anders. Prima teams, maar goedkoper? Voorlopig niet. De begeleider van het sociale wijkteam in mijn wijk De Schooten heeft me al laten weten dat borging door de gemeente noodzakelijk zal zijn voor verdere ontwikkeling. En borging is meestal geen druk op de knop. Borging kost tijd, geld en aandacht.
En dan al die andere dingen... Samen met bewoners een kindvriendelijke wijk creëren? Goed idee, maar mijn collega's kreunen onder de hoeveelheid werk. Uitkeringsgerechtigden voor hun geld laten werken? Kan, maar onderschat de noodzakelijke begeleiding niet.

De participatiesamenleving kost meer dan we denken. Ik ben ervan overtuigd dat het een betere samenleving kan worden. Met een betere overheid ook vooral, en een minder diepe kloof tussen overheid en burger. Maar ik raad het Ministerie van Financiën af om de beoogde bezuinigingen al in te boeken. Doen ze dat toch (en dat doen ze), dan zullen zowel collectieve verworvenheden als bijvoorbeeld veiligheidsnormen er onherroepelijk onder lijden. En overspannen ambtenaren zullen - oh ironie - zeggen dat ze voor het goed inregelen van de participatiesamenleving geen tijd meer hebben.

Omdat ze gelijk opgaan, dreigen bezuinigen en participeren synoniemen te worden. De participatiesamenleving wordt straks geassocieerd met uitholling van publieke waarden. En al die wijkambtenaren die zich naïef voor het karretje van bezuinigers hebben laten spannen, krijgen dan te horen: "Zie je wel dat participatie niet werkt?" Dat zou een jammerlijke en oneerlijke conclusie zijn. Want participatie werkt wèl. Alleen niet met de helft minder geld.


De onderlaag: dichterbij dan je denkt

(17 juli 2013)


Ik ben bij nogal wat mensen uit de onderlaag van de samenleving binnen geweest. Het valt me op dat de reacties op mijn verhalen daarover uiteen vallen in de klassieke links-rechts-verdeling. De rechtse reactie is: die mensen moeten zichzelf eens een schop achter de kont geven, dat zou ze een stuk verder brengen. De linkse reactie is: die mensen moeten eindelijk eens de hulp krijgen die ze nodig hebben. Kortom: rechts geeft de mensen zelf de schuld, links de omstandigheden.

Beide kampen hebben natuurlijk gelijk. Bij deze doe ik een poging om links en rechts voor eens en voor altijd met elkaar te verzoenen.

Mensen komen meestal pas in de schrijnende onderlaag van de samenleving terecht als de oordelen van links èn rechts van toepassing zijn. Mensen die pech hadden in hun jeugd, maar zichzelf inderdaad die schop achter de kont hebben gegeven, zijn vaak heel aardig terechtgekomen. En onverbeterlijke luiaards die in het juiste nest terecht zijn gekomen - gegoed milieu, lekker baantje bij pa in het bedrijf - hebben vaak ook geen reden tot klagen. Maar de combinatie - veel pech en geen schop achter de kont - levert miserabele toestanden op.

Die misère is bij de echte onderlaag zo ernstig en hardnekkig, dat alleen linkse of alleen rechtse maatregelen niet helpen. Hulpverlening leidt tot niets als de persoon niet zelf actief wordt. En een schop achter de kont leidt tot niets als er geen hand wordt gereikt. Het is de combinatie die ze in de misère heeft gebracht, slechts de combinatie kan ze er weer uit krijgen.

De rechtse visie - de schuld en de oplossing bij de persoon zelf leggen - is voor een buitenstaander het meest aantrekkelijk, om twee redenen: je ontslaat jezelf van de morele plicht om hulp te bieden, en je kunt jezelf voorhouden dat je zelf niet in zo'n situatie zult belanden. Want de onderlaag heeft het aan zijn eigen inactiviteit te wijten.

Maar ik ben er inmiddels van overtuigd dat iedereen in de misère kan belanden. Een ex-collega van wie ik het niet verwachtte is recentelijk gesignaleerd in een centrum voor dak- en thuislozen. Een goede vriend van mij is door een minuscuul foutje in een buitenlandse gevangenis terechtgekomen. Of hij er zonder gebroken moraal weer uit zal komen, is nog maar de vraag. Kortom: het levenspad telt zoveel verraderlijke klippen, verleidingen en valkuilen, dat we ons niet moeten voorhouden dat alleen notoire sukkels en gangsters van het pad af raken. Laten wij niet gaan bekvechten over 'linkse' of 'rechtse' aanpakken, maar inzien dat iedereen in de problemen kan komen en dat beide benaderingen nodig zijn om er weer uit te komen.


De waarde van eigenaarschap

(23 juni 2013)


Eigenaarschap staat in de moderne samenleving onder druk. Zeker bij de publieke zaak, die eigenlijk per definitie geen eigenaar kent. Ja, wij allemaal. Maar iedereen is niemand. Wie of welke afdeling gaat ergens over? Wie ligt er wakker van als er in een wijk iets niet in orde is? De bewoner? Welke bewoner dan? Of de bewonersorganisatie? De politie? De burgemeester?

Eendimensionale technische problemen komen vaak nog wel goed: onkruidgroei, een gat in de weg. Maar veel andere zaken worden in de praktijk graag heen en weer gepingpongd tussen mogelijke probleemeigenaars.
Elke zaak drijft op mensen die eigenaarschap tonen. Zoals de man van de bewonersorganisatie die vijftig bloembakken in de Heldere wijk De Schooten had geregeld en tegen een bewateringsprobleem opliep: "Desnoods moet ik de bakken morgen zelf vullen!" Mensen van wie je weet: wat er ook gebeurt, die rust niet voor het voor elkaar is.

Eigenaarschap is alleen realistisch als de zaak behapbaar is, van een menselijke maat. Dat is een belangrijke kracht van wijkgericht werken: de stad opgeknipt in brokjes die klein genoeg zijn, met voor elk brokje wijkwerkers als eigenaars. Eén wijk, één wijkteam, analoog aan het één gezin één plan-principe in de individuele hulpverlening. Waardevol is ook dat de echte wijk bij deze benadering centraal staat, en niet een hoofdstuk in de gemeentelijke programmabegroting.

Ons wijkcoördinatieteam De Schooten probeer ik als voorzitter zo te laten werken. Als een organisatie een kans laat liggen of iets in de wijk niet lekker loopt, dan spreken we onderling af wie erachteraan gaat. Wij zijn de pain in the ass van mensen die onze wijk niet serieus nemen! Zo'n gevoel: dat is eigenaarschap. Helemaal tevreden ben ik nog niet, maar we zijn aardig bezig. Onze wijkagent zei laatst bij de jaarplanning met onze teamleider handhaving dat hij voldoende had aan de doorlopende werkafspraken die we in het wijkcoördinatieteam maken. Als de wijkwereld goed werkt, kan de sectorwereld loslaten.

Wie eigenaarschap tot zich laat doordringen, beseft dat het werk van een wijkmanager geen interimwerk kan zijn. Eigenaarschap moet onder de huid gaan zitten, moet een positie innemen, een historie opbouwen. Totdat iedereen zegt: "Die wijk? Dan kun je niet om die wijkmanager heen." Er ging laatst een golfje van geluk door me heen toen actievelingen uit De Schooten tijdens een bijeenkomst zeiden: "Martin, ja, wie kent Martin nou niet?"

Als iemand in bezuinigingsdiscussies vraagt wat het nut is van wijkgericht werken, dan moet het antwoord zijn: "eigenaarschap." De voortdurende aandacht die daarbij komt kijken, blijft me energie kosten, maar 's avonds mijmerend in de tuin denk ik weleens: eigenaarschap is misschien wel de belangrijkste sleutel tot resultaat en werkvreugde.




Verklarende woordenlijst voor wijkwerkers

(3 juni 2013)


Een zwak punt van mij is dat ik weleens cynisch kan worden. Ik houd dat goed onder controle, zolang ik af en toe maar even stoom kan afblazen. Ditmaal doe ik dat in een column. Houd u vast bij deze handzame woordenlijst voor wijkwerkers:

wijkgericht werken: ingewikkeld woord voor normaal met mensen omgaan.
wijkmanager: manager die geacht wordt zaken te managen zonder bijbehorende bevoegdheden.
wijkcoördinator: iemand die coördinatoren coördineert.
bewoner: beschermde soort, beschermd door wijkwerkers tegen grillen van het stadhuis.
bewonersparticipatie: op het stadhuis bedachte term om iets te duiden dat wijkwerkers vanzelfsprekend vinden.
wijk: geografische entiteit, bedacht door ambtenaren en statistici om greep te krijgen op de werkelijkheid.
wijkagent: sociaal werker die z'n salaris van de politie krijgt.
wijkwethouder: wethouder die meldingen over kapotte stoeptegels in behandeling neemt.
wijkopbouwwerker: in theorie het nuttigste beroep van Nederland. In theorie.
wijkoverleg: het uitwisselen van problemen die onopgelost blijven.
wijkbudget: belastinggeld voor zaken die bewoners eigenlijk zelf moeten regelen.
multifunctioneel wijkcentrum: gebouw waar verschillende partijen laten zien dat ze niet kunnen samenwerken.
wijkenquête: aanleiding voor bewoners om een extra slot op de deur te zetten.
buurthuis: bingopaleis.
RMS: repetitive meeting syndrome. Ambtenarenkwaal, meestal ongeneeslijk. Ook onder wijkwerkers.
draagvlak: iets dat tracht te worden gecreëerd nadat een besluit is genomen.
civil society: duur woord voor mensen het zelf uit laten zoeken.
sociale cohesie: beleidsthema waar ze op stadhuizen invloed op denken te hebben.
hondenpoep: grootste probleem van Nederland.
multiculturele wijk: term waar alleen beleidsmakers positief over praten.
overlast: ander woord voor gezelligheid.
grassroots: wortels van hallucinerende plantjes.
bottom-up: in een bepaalde houding gaan staan.

Ik geloof dat ik nu moet stoppen. Zo, het lucht wel op. Ik kan er weer een tijdje tegenaan!




Microdemocratie

(3 april 2013)


Dit kabinet wil grote gemeenten en grote provincies. Het regeerakkoord zegt: "Het overbrengen van (...) taken van het Rijk naar gemeenten maakt meer maatwerk mogelijk en vergroot de betrokkenheid van burgers." Dit is nagenoeg het enige argument, en nog een paradoxale ook. Want Rutte en Samsom laten hun "decentralisatie van taken en bevoegdheden" uitmonden in het opschalen en centraliseren van gemeenten. Willen ze nu decentraliseren of niet?

Uit recente vraaggesprekken in Helderse buurten maakten wij weer eens op dat mensen hun buurt zien als een heel klein gebied: dat wat beloopbaar is. Onze grootste wijk, de Stad Binnen de Linie (21.000 inwoners) wordt door wijkwerkers en het wijkcoördinatieteam vaak al te groot geacht om recht te doen aan alle organisaties en processen die daar aan de orde zijn. De Vogelbuurt heeft vrijwel niets met Oud-Den Helder. Kortom: voor dagelijks maatwerk en een goed samenspel tussen burger en overheid is echte kleinschaligheid nodig.

Op zich kan dat best in een 100.000-plus-gemeente. De grote gemeenten van nu hebben ook wijkgerichte methoden. Zij stellen gewoon beheerteams aan voor vele wijken en dorpen van behapbare grootte. Dat heft de nadelen van grote gemeenten deels op, maar de voordelen blijven onduidelijk. Het kabinet wil de bureaucratie verminderen, maar grote gemeenten impliceren grote bureaucratieën. Iedere burger die erover mee kan praten, betwijfelt ernstig of die wel zo efficiënt en wendbaar zijn als onze Haagse visionairen denken. De VVD is van de individuele vrijheid, de PvdA een beetje van de menselijke maat. Beide waarden worden straks niet goed bediend door hun grote geesteskinderen. Staand op het bordes bij de koningin dachten ze die bureaucratische ondingen in het land blijkbaar te kunnen verminderen door ze op te tellen. Nu zijn het er 400, straks nog maar de helft! Dat ze wel bijna twee keer zo groot worden, wordt in de euforie dan maar verzwegen.

In plaats van in grootheidswaanzin te vervallen, zouden we ook kunnen bewegen naar het democratische gat aan de onderkant: naar microdemocratie. Want de wijkwerkers van straks zijn verantwoording verschuldigd aan nog verdere ivoren torens van megastadhuizen, aan top down-denkende bureaucraten die vaak geen goed oordeel kunnen vellen over hun werk. En degenen die er wel een oordeel over kunnen vellen, de bewoners en mede-wijkwerkers, hebben geen directe zeggenschap over zijn of haar functioneren. Misschien moeten we bewoners die zeggenschap wèl gaan geven. Wijkwerkers worden dan voor hun voortbestaan afhankelijk van de stemming onder buurtbewoners, zoals de sheriff direct werd gekozen in de stadjes van het Wilde Westen. Of wijkwerkers laten zich inhuren door bewonersorganisaties wanneer hen dat uitkomt. Dat is pas zeggenschap voor burgers!

En de stadhuizen? Ach, die worden steeds minder relevant. Mensen trouwen tegenwoordig overal, paspoortverstrekking gaat via internet, bij gemeenteraadsverkiezingen laat de kiezer zich leiden door Haagse beelden. De stadhuizen gaan hun gang maar. Het maakt niet meer uit waar ze staan. De wijkteams gaan hun eigen weg, op weg naar microdemocratie.




De diner-stemwijzer

(13 maart 2013)


Verkiezingen, politiek: wat is het voor veel mensen toch ingewikkeld. Abstracte verhalen, schimmige CPB-berekeningen, nauwelijks te checken beweringen. Hierbij voor de eeuwige twijfelaars een stemwijzer die de politiek vertaalt naar het dagelijkse leven. Ik gebruik de parabel van het gezamenlijke diner. Vier mensen gaan naar een restaurant: een bankdirecteur, een leraar, een schoonmaker en een bijstandsmoeder. Met de menukaarten in de hand ontvouwt zich een moeilijke discussie. Er staan de meest uiteenlopende gerechten op, met uiteenlopende prijzen. De bankdirecteur wil gewoon uitgebreid eten, maar de schoonmaker heeft aan het eind van de maand niet zoveel geld meer. De bijstandsmoeder beweert zelfs helemaal niets te kunnen betalen. Ze komen er niet uit en vragen advies aan twaalf voorbijgangers, die allemaal aanhanger zijn van een andere politieke partij.

De eerste adviseur is van de SP. Zijn advies luidt: "Eet wat u wilt, maar wel alle vier even veel. En de bankdirecteur betaalt de rekening!"

Vervolgens de VVD-er: "Ieder bestelt voor zich en betaalt voor zich. Eet er vooral lekker op los, als u dat kunt betalen. Als de bijstandsmoeder echt niets kan betalen, ontvangt ze een eenvoudige hoofdmaaltijd van de andere drie. Als zij ook nog een toetje wil, dan moet ze maar helpen afwassen in de keuken."

Dan komt de CDA-er langs: "Ik doe een moreel beroep op de rijkere helft van de tafel om ervoor te zorgen dat de armere helft een basismaaltijd kan nuttigen. En met die plofkip op het menu is niets mis! Oh ja, ik zou het bijna vergeten: houdt u met elkaar het bidritueel in ere."

Daarna de GroenLinkser. "Probeert u het eens zonder vlees, en ontdekt u eens hoe lekker de biologische gerechten zijn. Ieder bestelt een volwaardige maaltijd en betaalt voor zich, maar de bankdirecteur vult aan wat de bijstandsmoeder niet kan betalen. En voor de plofkip betaalt u een toeslag."

De volgende is iemand van de libertarische partij. "Ik ga mij niet met uw zaken bemoeien. Indien u er onderling niet uitkomt, dan gaat u allemaal maar aan aparte tafels zitten."

Dan de Partij voor Mens en Spirit: "Het gaat om de beleving van het gezamenlijke. U bent allen even veel waard, want u kunt op meer manieren bijdragen dan alleen met geld. Volg uw hart, eet duurzaam en geniet!"

De PvdA-er adviseert: u maakt een gezamenlijke pot en ieder doet er drie procent van z'n maandinkomen in. Vervolgens bestelt iedereen wat-ie wil, maar maak het niet te gek.

Dan komt D66 langs: "Ik adviseer u om er een onderling referendum over te houden. Probeer afspraken te maken in redelijkheid, en laat indien echt nodig uw sociale gevoel spreken."

De ChristenUnie, kort daarna: "Uiteraard bidt u eerst. Voorts eet u allen verantwoord en met mate en u toont compassie met degenen die de maaltijd niet geheel zelf kunnen betalen."

Voorts de SGP-er: "De bijstandsmoeder zit hier in een volstrekt verwerpelijke situatie. Ik neem haar mee naar huis voor een goed gesprek over verantwoordelijkheden. Wat de drie heren doen, maakt mij verder niet uit, mits zij de Heer danken voor de spijzen."

De Partij voor de dieren is kort: "Alléén vegetarisch, en liefst biologisch!"

De PVV-er is de laatste adviseur van het dinergezelschap: "Ieder bestelt voor zich en betaalt voor zich. Ik eis wel dat de bijstandsmoeder in elk geval een maaltijd krijgt. En verder geldt: niet afrekenen in euro's en alleen Hollandse pot!"

Deze parabel brengt de Haagse ver-van-m'n-bed-show wat dichter bij de mens. Ik heb nuances weggelaten, maar denk de politieke verhoudingen hiermee toch redelijk te benaderen. Bepaal bij verkiezingen zelf bij welk diner je het liefst zou aanschuiven.




Eigen kracht: vasthouden en loslaten zijn hetzelfde

(2 maart 2013)


'Eigen kracht' is het nieuwe uitgangspunt voor wijkwerkers, politici en vele anderen. We gaan loslaten en ontregelen. Deze beweging brengt veel goeds teweeg, maar ook veel discussie in vergaderingen en op internet, waarbij voor- en tegenstanders elkaars standpunten radicaliseren. Loslaten wordt dan 'asociaal', en vasthouden hetzelfde als 'dooddrukken'. Maar de kemphanen hebben meer met elkaar gemeen dan ze zich vaak voorhouden.

Zolang gemeenten ergens een belang of verantwoordelijkheid in hebben, is loslaten nooit geheel loslaten. Het is als met je 16-jarige dochter: natuurlijk wil je loslaten - maar niet helemaal. En je verliest zeker niet je interesse. "Warme verwaarlozing", noemt Evelien Tonkens dat.

Tegenstellingen in werkhoudingen zijn niet zo scherp. Laatst hoorde ik: "Werkzame regels opstellen is een creatief proces." Ja, dames en heren beleidsadviseurs en juristen: u bent kunstenaars. Of u zou het moeten zijn. Want regels kennen geen star, eendimensionaal doel in zichzelf, maar zijn een van de hulpmiddelen om de bonte leefwereld beter vorm te geven. Niet om de leefwereld te systematiseren, ook niet om de leefwereld ongeïnteresseerd 'los te laten' en overtreders simpelweg op te pakken. Nee, gemeenten houden continu aandacht voor hoe de leefwereld in de wijken functioneert en hoe zij reageert op interventies. En grijpen elke dag opnieuw in - op grote en kleine manieren, juridisch, sociaal, in de regels zelf, - net waar het nodig wordt geacht.

Robert Pirsig laat in "Zen en de kunst van het motoronderhoud (1974) op de volgende wijze zien dat techniek hetzelfde is als kunst: "De echte vakman werkt nooit volgens gebruiksaanwijzingen. Hij neemt beslissingen terwijl hij aan het werk is. Daarom zal hij geconcentreerd zijn en in beslag genomen worden door wat hij doet, ook al zal hij daar geen moeite voor doen. Zijn bewegingen en het werkstuk dat hij onder handen heeft, vormen een soort harmonie. Hij volgt geen geschreven aanwijzingen, omdat de aard van het werkstuk zijn gedachten en bewegingen bepaalt, waarbij tegelijkertijd de aard van het werkstuk voortdurend verandert. Het werkstuk en zijn gedachten veranderen samen in een voortgaande reeks van veranderingen, tot zijn geest tot rust komt op hetzelfde moment waarop het werkstuk gereed is."

Het werkstuk van gemeenten is de wijk, met dat verschil dat de wijk nooit gereed is. Wie op zoek is naar kwaliteit in het werk, moet oog hebben voor de waarden die schijnbare zwart-wit-tegenstellingen omspannen. Wie ziet dat 'helpen' niet fundamenteel anders is dan 'loslaten', maar onderdelen zijn van hetzelfde harmonieuze werkproces, doorziet de wijkopgave ook. Althans: dat is mijn manier om het te proberen.


terug naar boven