Afscheid van Nijmegen

(verhaal uit 2004)



De cruisecontrol houdt de lege vrachtbus op snelheid als ik de Waalbrug oprij. Terwijl het trotse Valkhof vanaf de rechterflank minzaam op me neer kijkt, rol ik de poorten van Nijmegen binnen. Het is acht uur op deze mooie avond in juli, en Alkmaar ligt alweer twee uur achter mij.

Patricia ziet me al snel als ik de Polderstraat indraai. Ik stap bij haar naar binnen en overhandig haar wat laatste gordijnstoffen die we niet meer nodig hebben. Ik heb nog tijd voor een bakje, dus even later geurt de koffie door haar knusse huis. Sita ligt na een korte opwelling van enthousiasme alweer in haar mand. We praten over de verhuizing en de lange ritten die ik er vandaag op heb zitten. Patricia is vrolijk en lijkt opgeruimd van geest. Een half uurtje later neem ik afscheid. Geen definitief afscheid, nee, dat niet. Maar zo voelt het nu toch een beetje. Vlak voor ik rechtsaf de Slotemaker de Bruïneweg opdraai, zie ik Patricia vanuit mijn zijraam in haar eentje teruglopen naar onze gezamenlijke voordeur. Zo'n gebruikelijk beeld, maar nu blijft het lang op mijn netvlies staan. De laatste keer. Zij zal nog talloze malen teruglopen naar die voordeur, maar voortaan onttrokken aan mijn blikveld. Niet meer naar mijn voordeur. Ik hoop maar dat ze het er leuk blijft hebben, zo zonder ons. Ons samenzijn heeft slechts anderhalf jaar geduurd, maar het lijkt langer, omdat het zo waardevol was.

Ik lever de vrachtwagen in bij de autoverhuur op de Heijendaalse weg en geef de sleutels aan de man achter de balie van het aanpalende benzinepompstation, net zoals ik de sleutels van onze huurauto's hier weleens afgaf. Ik heb nog wat tijd voor de trein vertrekt, dus ik wandel in het zomeravondlicht de Heijendaalseweg op, richting centrum en station. Na een tijdje passeer ik de Wedren. Er staan nog enkele opgestapelde tribune-onderdelen van de Vierdaagse in de leegte. De Vierdaagse... haar glorieuze intocht was nog maar vier dagen geleden. Nijmegen als centrum van de wereld. We hadden toen nog amper ingepakt, alsof we nog tijden in deze warmbloedige stad zouden blijven wonen. Het afscheid wordt mij nu echter gemakkelijker gemaakt door het aangezicht van de teruggekeerde realiteit: stille straten, een lege Wedren, mensen die thuiszitten, wachtend op hun nieuwe werkdag. Waarschijnlijk zou ik dat nu ook hebben gedaan, als die lui in Den Helder hun keuze op een andere kandidaat zouden hebben laten vallen. Maar thuiszitten in een gewone stad, dat kan in Alkmaar ook. Alles kan in Alkmaar! Laat dat mijn houvast zijn, de komende tijd.

De mensen die ik passeer, denken natuurlijk gewoon dat deze Nimwegeneur even een ommetje maakt. Maar ben ik op dit moment nog wel een Nijmegenaar? Nee, er is nu niets meer van mij in deze stad. Ik moet alleen mezelf nog meenemen. Het station nadert. Ik loop over het Keizer Karelplein, langs de flatjes waar we ook hadden kunnen wonen, als we ze twee jaar terug niet zo brutaal hadden geweigerd. Keizer Karel, die mooie naam als weerspiegeling van het rijke verleden van deze stad. Mijn deel daarin is voorbij.

Het is kwart voor tien in de avond, als ik op het station naar de kaartjesautomaat loop. Ik typ in: enkele reis Alkmaar. En ditmaal een enkeltje in de pure zin des woords. Terug naar Noord-Holland. Terug naar waar ik vandaan kom, na zes mooie jaren in Diemen, een enerverende wereldreis, en net twee jaar in Nijmegen. De grote cirkel die ik de afgelopen tien jaar heb bewandeld, lijkt nu gesloten te worden, alsof mijn leven 'af' is. Maar het heeft ook iets lafs. Teruggaan, omkeren, terugtrekken. Alsof ik de weg voor mij niet langer aandurf en terugkrabbel naar de warme schoot van het bekende. Toch voelt deze weg terug op dit moment onheilspellender dan een verder verblijf in Nijmegen. Betekent dit dat ik nog niet klaar ben voor een terugtocht? Moeilijk te zeggen, zoiets. 'Geboren te Alkmaar', staat er in mijn paspoort. Ik woon vanaf nu waar ik ben geboren. Alsof er in de tussenliggende 33 jaar niets belangwekkends is gebeurd.

Mijn trein is net aangekomen. De werkzaamheden aan de nieuwe stationstunnel, die ik twee jaar lang bijna elke dag heb kunnen aanschouwen, zijn nu vrijwel gereed. Net als mijn Nijmeegse leven. Maar heb ik het ook echt afgemaakt? Is mijn tijd in Nijmegen lang genoeg geweest om te kunnen zeggen dat de stad voor altijd ook een deel van mij zal zijn? Aan de ene kant is twee jaar best lang. Veel jongeren en studenten doen het spreekwoordelijke 'jaartje buitenland' en dat vinden ze al heel wat. Dan duurde dit toch maar mooi twee keer zo lang. Langer ook dan onze hele wereldreis bijvoorbeeld. Maar toch bekruipt mij het gevoel dat er nog iets meer voor nodig is om een stad echt aan je te binden. Over een tijdje zal ik mezelf deze vraag nog eens stellen.

Ik zit op de benedenverdieping van de dubbeldekstrein, die tamelijk rustig is. Terwijl de trein de brug over de Waal oprijdt, vertroebelen de kunststof schermen langs de nieuwe fietsbrug mijn zicht op de stad. Nijmegen vervaagt reeds terwijl ik nog naar haar kijk. Waalkade, Valkhof en mijn geliefde Rijk: het rolt achter de kunststof waas nu definitief onder mij vandaan. Ik ben geen Nijmegenaar meer, maar ben er trots op er te hebben gewoond. Ik zal er terugkeren als bezoeker, en daar moet ik het dan maar mee doen. De keuze voor deze stap is rationeel bezien goed, maar emotioneel moet ik mij er nog mee verzoenen.

Terwijl buiten het duister valt, lees ik de Volkskrant die ik op het station heb gekocht. Af en toe kijk ik uit het raam, mijmerend over de tijden die achter mij liggen, en de tijden die ik nog tegoed heb. Meer dan ooit heb ik het gevoel dat ik mij op een keerpunt in mijn leven bevind. Dat ik nu onderweg ben naar een ander soort leven, met andere prioriteiten. Met een baan in een gemeente waarvan ik nooit had gedacht er vaker dan enkele keren in mijn leven te komen. Als we onderweg Amsterdam passeren, stroomt er voor het eerst weer wat levensvreugde door mijn aderen. Het voelt goed om weer wat dichter bij deze geweldige stad te wonen, waar ik zoveel mensen en plekjes kende, en nog steeds ken. De reis na Amsterdam gaat snel en tegen twaalven in de nacht stap ik het charmante Alkmaarse station uit. Mijn nieuwe Alkmaar. Zo oud al, en zo bekend, maar nu toch zo nieuw. Alkmaar zal nooit meer zijn zoals het voor mij is geweest. Het was mijn verleden. En nu is het mijn toekomst.

Ik sluit de stad in mijn armen. En even later Anneke ook.


terug naar boven