Hotel California, het beeld en de werkelijkheid

(21 februari 2018)


Het idee dat beeld en werkelijkheid niet hetzelfde hoeven te zijn, is al zo oud als Plato. Ook stedenbouwkundige artist impressions zien er anders uit dan de latere werkelijkheid die zij verbeelden. En dat is schadelijker dan het lijkt.

Zonder glazen bollen blijft het behelpen als het om de toekomst gaat, maar artist impressions dromen er doorgaans wel erg op los. Er vliegen nog net geen roze elfjes in rond, zoals mijn dochters zo heerlijk kunnen tekenen, maar er zijn wel schone straten en pleinen vol goedgeklede mensen, met een ontspannen, doch vastberaden blik, lopend langs fraai groen waar de tuinman net is langs geweest. Zwervers zijn er natuurlijk niet, hangjongeren en zwaarmoedige mensen evenmin. Verder geen regen, geen graffiti, geen algenuitslag op gladde geveldelen, geen verweerde Gammaschuttingen. Geen eindeloze rijen geparkeerde auto's, geen hondenpoep, geen brommertjes en plastic kabouters in witbetegelde voortuintjes.
Op de trottoirs bruist het van het leven, ook als het plan zich richt op automobiliteit, en zelfs op een impopulaire, perifere locatie in een lage dichtheid. Met zijn machtige potlood laat de impressionist lastige context verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het is zo misleidend als autoreclames, waarover een olijkerd eens schreef: 'Wie zo min mogelijk auto's wil zien, moet autoreclames kijken.' Je zou er bovendien zo intuinen, zo realistisch als onze digitale technieken impressies er tegenwoordig uit laten zien. Superieure tekensoftware alleen al zorgt voor een bedrieglijke samenvloeiing van beeld en realiteit.

De vergelijking met nepnieuws dringt zich op. Nepnieuws biedt een valse blik op vandaag, de artist impression biedt een valse blik op morgen. Ook de doelen zijn hetzelfde: beïnvloeding van de publieke opinie - in dit geval over ruimtelijke plannen -, en daar geld mee verdienen. Die doelen zijn het probleem niet, maar de middelen wel. Net als bij nepnieuws en bijvoorbeeld bij heimelijk gephotoshopte menselijke afbeeldingen, die in Frankrijk nu zelfs aan banden worden gelegd.

Aansprekende beelden, of ze nu realistisch zijn of niet, helpen een ruimtelijk plan vooruit. Dat is mooi, maar de zo plooibare beelden lokken ons naar een gevangenschap in een nog maar moeilijk bij te stellen realiteit. Hier resoneren de klanken van The Eagles in Hotel California: 'You can check in any time you like, but you can never leave'. Het is de letterlijke realiteit voor degenen die een verhuizing uit hun teleurstellende wijk niet kunnen betalen.

Ik denk dat de kloof tussen stedenbouwkundig beeld en toekomstige werkelijkheid er een van de oorzaken van is dat moderne ruimtelijke projecten vaak tegenvallen en het qua populariteit moeten afleggen tegen veel oudere wijken. Honingzoete impressies die hun eigen nadelen weigeren te benoemen, strooien ons zand in de ogen voor de op handen zijnde werkelijkheid. Als stedenbouwkundige beelden zouden tonen hoe een wijk naar alle waarschijnlijkheid werkelijk wordt, dan zouden we over veel nieuwbouwplannen minder enthousiast zijn en zou een verlangen worden aangewakkerd naar betere alternatieven, naar beter stadmaken. Ik moet denken aan een verzuchting van de vroegere Helderse kunstenaar Rudi van de Wint: 'De werkelijkheid leidt altijd weer tot het verlangen.'

Als een bouwtekening een bruine wand van tien meter hoog laat zien, en er verrijst in werkelijkheid een roze wand van twintig meter, dan heeft de ontwikkelaar een groot juridisch probleem. Kunnen we deze logica niet wat oprekken naar sfeer- en omgevingsbeelden? Breder kijken is toch wat de Omgevingswet van ons vraagt? Maar alvorens juridisch te worden, kunnen we een kritischer houding aannemen. Laten we beter inschatten hoe een wijk er straks echt uitziet, als die eenmaal wordt geleefd door eigenwijze bewoners, algen en andere gebruikers. Laten we tekenaars en ontwikkelaars erop aanspreken wanneer ze elfjes verkopen, zodat planvorming in dezelfde dimensie blijft plaatsvinden als de alledaagse, gemankeerde werkelijkheid. En dat is niet om cynisch te doen. Integendeel: het is om plannen beter te maken, beter bestand tegen de aankomende realiteit. Zodat onze ruimtelijke omgeving geen Hotel California wordt, maar een keur aan plekken waar je niet eens zou willen uitchecken. We leven tenslotte niet in lokroepen, maar in echte wijken.


Zelfdestructie: what would Jane Jacobs do?

(22 november 2017)


Steden, en in het bijzonder Amsterdam, koken over. Woekerprijzen voor woningen, horden toeristen, Airbnb-wijken, expats, buitenlandse vastgoedinvesteerders die de markt afschuimen. Overdreven of niet, deze retoriek wordt het verkiezingsthema van 2018. Blijven onze steden divers en vitaal, of verworden zij tot zones voor toeristen en rijkelui?

Meestal klinken er meer verontwaardigingen dan haalbare oplossingen. Oorzaken en verschijningsvormen zijn ook zoveel complexer dan bij zoiets als een overstromend riool. We overzien de kwestie maar moeilijk. Daarom loont het de moeite om eens te rade te gaan bij fundamentele literatuur. Ik kom dan uit bij - hoe kan het ook anders - Jane Jacobs, die complexiteit als geen ander wist te reduceren tot common sense. Niet voor niets is bij vraagstukken waar we moeilijk uitkomen de afkorting 'WWJJD' wat in zwang geraakt: What would Jane Jacobs Do?

Eén hoofdstuk uit haar wereldberoemde boek uit 1961 las ik nog eens door: 'The self-destruction of diversity'. Lees eens mee hoe fraai Jacobs' dik vijftig jaar oude proza aansluit op onze huidige situatie:

"So many people want to live in the locality that it becomes profitable to build, in excessive and devastating quantity, for those who can pay the most."

"The admired and magnetic knoll is destroyed by its own new occupants, by the act of occupation."

"The duplication of the most profitable use is undermining the base of its own attraction."

"... worst potential threat to its diversity and its long-term success is the force let loose by outstanding success."

Ze noemt alles: toeristenhorden, hoge prijzen, horecamonoculturen, gezinnen die de stad worden uitgedreven. Precies wat in Amsterdam binnen de ring nu gaande is. Welnu: Wat Would Jane Jacobs Do?

Het begint met enkele belangrijke constateringen. Ten eerste: genoemde problemen zijn een gevolg van succes, niet van falen. Ten tweede: zelfdestructie is een continuering van de krachten die onmisbaar waren voor het succes zelf. Daarom daarna een ontnuchtering: Jacobs betwijfelt of er ingrepen kunnen worden bedacht die het netelige zelfdestructiemechanisme perfect en met behoud van het succes kunnen neutraliseren. Maar ze komt wel tot drie imperfecte strategieën: (1) ruimtelijke regels die diversiteit stimuleren, (2) standvastigheid van publieke gebouwen en (3) competatieve omleiding.

Met de eerste bedoelt Jacobs niet dat huidige functies moeten worden bevroren. Dat zou de stad doden. Ze doelt op regels met een indirecte werking: selectieve bouwhoogtebeperkingen, bescherming van gebouwen met bijzondere maten of ouderdom. Allemaal manieren die de kans op gemengd gebruik vergroten. Dit impliceert ook fiscale differentiatie: bij beschermde panden past niet dezelfde belastingdruk als bij panden die maximaal mogen worden geëxploiteerd.

Met de tweede strategie bedoelt Jacobs dat we (semi-)overheidsgebouwen met een afwijkende functie in populair gebied moeten koesteren. Dus ze niet, zoals nu soms gebeurt, aan hoogste bieders verkopen, maar er tegen de verdrukking in diversiteit mee in stand houden. Uiteindelijk levert dat de best functionerende en populairste stad op, waar dus ook het meest wordt verdiend, met de hoogste belastingopbrengsten. Lang geld is meer waard dan kort geld.

Deze eerste twee strategieën zijn, evenals het huidige debat, vooral defensief van aard. Maar dammen kunnen nog zo stevig zijn, als het water blijft aanwassen, dan overstromen ze ooit toch. Daarom verwacht Jane Jacobs het meest van haar laatste, offensieve strategie: excessieve duplicaties in het ene gebied tegengaan door diezelfde functies af te leiden ('divert') naar gebieden waar ze juist diversiteit vergroten. Andere gebieden moeten dus zo aantrekkelijk worden dat overkokende functies daar vanzelf heen trekken. Dat is het offensieve eraan: je bouwt geen dammen, maar bouwt actief aan lokroepen van vitale voedingsbodems elders. Het areaal aan diverse, levendige milieus groeit daarmee aan. Want dat die relatief kleine centrumstedelijke gebieden nu worden overbegraasd, is vooral een teken dat er een tekort aan is. Aldus Jacobs.

Sommigen beweren dat spreiding en uitbreiding van populair gebied averechts werkt, omdat dat de groeiende bezoekersschare alleen maar tot een langer of hernieuwd verblijf verleidt. Maar wat een cynische wijze van stadmaken spreekt hier eigenlijk uit: je stad leefbaar houden door haar onaantrekkelijk te houden. Nee, laten we dan maar naar Jane Jacobs luisteren en niet afstoting, maar populariteit als uitgangspunt van ons denken nemen.


Planologen moeten de 'somewheres' laten bloeien

(24 september 2017)


Laatst zat ik bij een visieoverleg over de transformatie van het desolate Amsterdamse kantorengebied Amstel III naar een gemengde woonwerkwijk. Iemand hield daar een kort verhaal over mensen van somewhere en mensen van anywhere. Wijzelf waren de anywheres: hoogopgeleid, internationaal blikveld, overal (anywhere) uit de voeten kunnend. Daartegenover staan de somewheres: mensen die meer geworteld zijn in een bepaalde baan, een bepaalde vaardigheid, een regio, een wijk, een gemeenschap. Zij zijn lager opgeleid, vinden globalisering bedreigend, hebben weinig met immigranten en stemmen Brexit. De spreker vond dat het transformerende Amstel III uiteindelijk een somewhere moest worden.

Het zijn natuurlijk stereotypen, maar de boodschap deed ertoe. De wereld verandert, verstedelijkt, migreert, maar de menselijke aard verandert niet in hetzelfde tempo mee. Op verschillende schaalniveaus is die wrijving zichtbaar, en niet alleen bij somewheres. Op landelijk niveau met toenemend nationalisme en immigratie als loodzwaar politiek hangijzer. In Amsterdam met groeiende weerzin tegen toerisme, Airbnb, expats en buitenlandse vastgoedinvesteerders.


Dit is Londen

Kort geleden las ik het boek 'Dit is Londen', waarin auteur Ben Judah de groeiende lappendeken van vluchtige Londense migrantengroepen beschrijft, van Russische oligarchen en Arabische miljonairs tot Ghanese schoonmakers en Afghaanse zwervers. Het boek liet een indruk achter van een desintegrerende stad met veel subculturen, maar met steeds minder stabiele gemeenschappen. Een stad als oord van toevlucht of doorgang, maar steeds minder een stad van zijn. Het percentage inwoners dat in de stad is geboren, daalt hard. Londen als extreme anywhere, met steeds minder somewheres.

Het zijn de ideale omstandigheden voor groeiende teleurstelling en eenzaamheid, zoals kort geleden ook over Amsterdam stond te lezen. Dat Parool-artikel verhaalde over de transformatie van Amsterdam tot kolkende metropool, met anonimisering als wrang neveneffect. Vrienden en buren vertrekken uit de wijken die in opkomst zijn. Buurtwinkels gaan dicht - onderschat niet het effect van een groenteman die zijn buurman gedag zegt -, het stamcafé maakt plaats voor een koffiewinkel met een ander publiek. Toeristen en expats strijken neer in de wijk om binnen de kortste keren te vertrekken. Dat veroorzaakt onthechting, woede en eenzaamheid. Een nog recenter bericht verhaalde over gezinnen die het te duur wordende Amsterdam de rug toekeren. Aangezien juist gezinnen in vele opzichten grote buurtinvesteerders zijn, is dat slecht nieuws voor de Amsterdamse buurten.


Gemeenschapsdieren

Van oudsher is de mens een gemeenschapsdier. Eeuwenlang leefden we in overzichtelijke groepen. Groepsleden plukken de vruchten van die geborgenheid, maar dragen er zelf ook aan bij. Over de stad als gemeenschap schreef Jane Jacobs de beroemde woorden: 'Cities have the capability of providing something for everybody, only because, and only when, they are created by everybody'. Een gezonde gemeenschap vereist dus een bepaalde balans tussen profiteren en investeren. Die balans raakt verstoord zodra er een te grote losse, vluchtige laag bij komt die geen deel uitmaakt van de gemeenschap, omdat ze dat niet kunnen (zoals toeristen), niet willen (zoals sommige immigranten) of niet mogen (zoals illegalen). Profiteren en investeren gaan dan niet meer gelijk op.

Ook in organisaties is dat voelbaar. Een collega van mij vergeleek ons grote flexwerkgebouw aan het Amsterdamse Weesperplein laatst met een vertrekhal van Schiphol: groot, anoniem, met een komen en gaan van mensen die je lang niet allemaal kent. Met veel externen, die wel werken, maar geen cultuurdragers van de organisatie zijn. Het is dynamisch, maar niet geborgen, waardoor velen zich er onprettig bij voelen en op zoek gaan naar eigen ankerpunten om zich heen.

Op alle schaalniveaus is het hetzelfde: de meeste mensen zoeken de geborgenheid van een gemeenschap. Ook veel anywheres die denken dat niet nodig te hebben, trekken naar hun eigen subculturen van Londen, New York, Shanghai of het Weesperplein. Ook zij maken hun gemeenschappen, bijeengehouden met kerosine. En wat dubbelhartigheid betreft kunnen ook veel somewheres er wat van: ze houden niet van buitenlanders, maar zijn wel zelf toerist in Turkije.


De lessen voor de planoloog

Uiteindelijk verschillen we dus niet zoveel van elkaar. Ieder probeert op z'n eigen wijze wat graantjes van de globalisering mee te pikken, maar voelt de wrijving ervan ook. Anonimisering, eenzaamheid: het zijn moeilijk te begrijpen thema's, die in onze hoofden niettemin een grote rol spelen. Minder migratie, zeggen velen. Meer bewonersondernemingen en gezamenlijke maaltijden, zeggen anderen. Misschien, maar ook planologen moeten er lessen uit trekken. De vele duizenden woningen die Amsterdam de komende jaren gaat bouwen, moeten geen eenzame torenflats voor expats worden, maar plekken vormen waar mensen elkaar tegenkomen. Flexibele plekken waar wordt gewoond en gewerkt, die mensen naar hun hand kunnen zetten. Een geborgen openbare ruimte, mogelijkheden voor gezamenlijke tuinen of buurtcultuur. Particulier opdrachtgeverschap. Menging, beloopbaarheid, veiligheid, couleur locale. De stad moet een aaneenrijging zijn van buurten, van gemeenschappen. Inderdaad: planologen moeten zoveel mogelijk somewheres laten bloeien.




Het winkelcentrum: niet meer doen!

(19 mei 2017)


Veel winkelcentra hebben het moeilijk. Overal worden pogingen gedaan om ze te 'revitaliseren'. Er zijn zelfs hele cursussen voor. Over samenwerking, out-of-the-box-denken, en vooral over minder meters, minder regels en ruimere bestemmingen. Vooral bij dat laatste denk ik: beter laat dan nooit.

Bestemmingsverruiming wordt vaak gepresenteerd als ei van Columbus, maar eigenlijk is het een normalisering van een rariteit. Het winkelcentrum, met de specifieke bestemming 'detailhandel', is een relikwie uit een tijdsgewricht met een heilig geloof in functiescheiding. We zijn daar inmiddels aardig van teruggekomen. Monofunctionele gebieden bleken vaak geen langdurige succesverhalen en niet geschikt voor allerlei vormen van blurring. Niet voor niets stuurt de gemeente Amsterdam alweer jaren op functiemenging en op multifunctionele stadsstraten.

En toch: bij detailhandel is de idee van functiescheiding hardnekkig. Dat komt alleen al door het woord: 'winkelcentrum' is zo ingesleten in onze westerse cultuur, dat velen concentratie als volstrekt vanzelfsprekend zien. Nog steeds verrijzen er nieuwe winkelcentra en ook binnensteden worden vaak gezien als winkelcentra. Daar komt bij dat de detailhandel zich heeft georganiseerd tot machtsfactor van belang. De 'retail' laat overal van zich horen en weet de wegen naar bestuurders en beleidsambtenaren goed te vinden. Detailhandelsmeters worden van bovenaf bepaald, vaak via 'distributie-planologisch onderzoek.' Hoewel detailhandel de markt zelve is, wordt er niet vertrouwd op de vrije markt.


Giftige status aparte

Laatst zag ik op internet een Utrechtse nota uit 2013: 'Vitale stadswijken, functiemenging in woonwijken'. Daarin worden mengsels gepropageerd van wonen, ambacht, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, hotels, sportvoorzieningen, horeca. Van alles, behalve... detailhandel. De status aparte die de detailhandelsfunctie vaak geniet is niet alleen eigenaardig, maar ook giftig voor de stad.

Ten eerste zijn winkelcentra niet flexibel, dus niet adaptief. Het zijn vaak eilanden in de stad, dobberend in grote, inefficiënt gebruikte parkeerterreinen. Ze functioneren sowieso onevenwichtig: uitpuilend op zaterdag rond tweeën, uitgestorven in de avond. Hun geringe aanpassingsvermogen wreekt zich vooral als de zaken slechter gaan. Leegstaande units kunnen niet anders worden gebruikt, want gij zult een winkelcentrum zijn. De bestemming is bevroren, bijbehorende huurprijzen zijn gefixeerd, investeerders en eigenaren hebben het als 'winkelpand' in de boeken staan. Met omzetting naar een andere functie gaan op meerdere computerschermen de alarmbellen af.


Wijken in gijzeling

Maar dat is niet het ergste. Omdat alle energie is gericht op het gevuld houden van winkelpanden, sturen retailsector en gemeente er vaak eendrachtig op aan dat zich nergens anders in de omgeving nieuwe winkels mogen vestigen. De wijk wordt als het ware in gijzeling gehouden. Dat gaat soms erg ver: een bakkertje op de hoek mag niet, afhaalpunten voor internetverkoop mogen niet, uit de hand gelopen hobby's (bijvoorbeeld een kussentjesmaker die ze in de vensterbank te koop aanbiedt) mogen niet, marktkraampjes mogen niet. Daarmee krijgt kleurrijk, kleinschalig ondernemerschap en sociale stijging in stadsbuurten niet de ruimte die zij verdienen. Juist die krachten maken buurten vitaler en leuker. In het retailmodel worden bewoners verplicht om hun geld uit te geven in winkelcentra, centra die vooral zijn gevuld met zelfgenoegzame filiaalbedrijven die de kunstmatig (want: beschermde) hoge huren kunnen betalen. In feite beschermt restrictief detailhandelsbeleid de belangen van corporates, niet de belangen van bewoners. Of: de belangen van gisteren, niet de belangen van morgen.

Verdedigers van winkelcentra zeggen vaak dat solitaire winkels het economisch toch niet redden. Dan zou ik zeggen: dan hoef je ze ook niet te verbieden. Angst voor verregaande spreiding van detailhandel is sowieso ongegrond, omdat autonome krachten juist convergerend zijn. Stel dat alle winkels in een denkbeeldige stad volledig gelijkmatig zouden worden verspreid en iedere winkel daarna de mogelijkheid kreeg om te verhuizen waarheen hij wilde. Dan zou je zien dat winkels steeds meer bij elkaar gaan zitten. Want verkopers zoeken 'traffic'. En 'traffic' is een zichzelf versterkend effect. Niet voor niets waarschuwde urbaniste Jane Jacobs voor de 'selfdestruction of diversity' en pleitte ze juist voor mengbeleid om overmatige concentratie tegen te gaan.


Van place to buy naar place to be

Kortom: stop met winkelcentra en behandel binnensteden ook niet als zodanig. De toekomst is aan multifunctionele centra en aan kleurrijke stadsstraten met flexibele plinten die eenvoudig van functie kunnen veranderen. Stadsstraten waar niet alleen retailers, maar ook en vooral bewoners worden beschouwd als probleemeigenaren en gesprekpartners. Stadsstraten zonder paniek om lege meters en met relaxte observaties van verkleuringen in de tijd. Dit soort straten zijn vaak nog populair ook.

Leegstand is meestal slechts een probleem wanneer de functie is gefixeerd. Daar moeten we dus van af. Binnensteden en andere centra worden, kortom, van place to buy naar place to be. Een leuk gevonden slogan en de spijker op de kop. En weet je wat het leuke is? De retail is er zelf uiteindelijk ook het meeste bij gebaat. Want zeg nu zelf: het is leuker en vrijer handel drijven in succesvolle stadsstraten dan in een kwakkelend winkelcentrum dat alleen met veel lobbywerk en staatsbescherming overeind is te houden.




Lekkende bouwblokken

(8 april 2017)


Veel stedenbouwkundige discussies gaan over wel of geen hoogbouw. Ik voer echter liever een horizontale discussie, in plaats van een verticale. Een aftrap.

Het gesloten bouwblok is aan een opmerkelijke opmars bezig. Steeds vaker worden ze niet alleen ingepast in de oude stad, maar worden er ook nieuwe buurten mee gevormd. Aan deze wederopstanding gaat een woelige geschiedenis vooraf.

In de 17e, 18e en 19e eeuw waren gesloten bouwblokken bijna standaard. De stedenbouwers van toen waren stadssociologen avant la lettre. Zij begrepen dat mensen nu eenmaal van publieke en private walletjes willen eten en dat de stedenbouwkundige dat maar beter ruimtelijk kon scheiden. Jane Jacobs zei dat de good olds in de 20e eeuw nog eens na.
Na de Eerste Wereldoorlog werd het gesloten bouwblok gaandeweg vervangen door 'licht, lucht en ruimte'. Bijkomend voordeel was dat de opkomende auto er gemakkelijker in kon. In de hoogtijdagen van de luchtige stedenbouw, zo rond de jaren zestig, was het gesloten bouwblok een gesloten boek geworden. Planologen en stedenbouwkundigen bouwden lustig aan hun variant van the end of history. De open stad in het groen moest het worden, en niets anders. Die kreeg verschillende verschijningsvormen: stroken, haken, bloemkolen. Daarmee werden echter niet alleen lucht en ruimte, maar ook problemen binnengelaten.



Beheerproblemen


In voorbije jaren was ik wijkmanager in Den Helder. De grootste beheerproblemen deden zich daar voor bij open verkavelingen. In de Sluisdijkbuurt bijvoorbeeld gaven de open hofjes altijd gedoe. Zodra de wijkagent kwam, liepen de overlastveroorzakers als water door de doolhoven weg. 'Muizenstad' werd het genoemd. De corporatie wilde er graag wat aan doen, maar stedenbouwkundig was er niets meer mee te beginnen. Jongerenwerkers moesten de hete kolen maar uit het vuur halen. De Falgabuurt was nog erger, met strokenflats in het groen. Luidruchtige hangroepen verbleven recht onder de balkons van arme huurders. Veel bewoners bleven het liefst op de enige plek waar ze in hun zee van openbare ruimte privacy hadden: binnen.

Den Helder had ook gesloten bouwblokken met hier en daar een opening. Bij die lekken sijpelden de problemen naar binnen: hanggedrag, afvalstort, vandalisme. In de loop der jaren hebben we in opdracht van bewoners, opbouwwerk of politie heel wat stegen en andere semi-publieke restruimten met hekwerken afgesloten.

Dan waren er nog de bloemkoolwijken: hofjeswijken uit de jaren zeventig of tachtig, met omgeklapte bouwblokken: publieke ruimte aan de binnenkant, private ruimte aan de buitenkant, tegen het gemeentegroen aan. Het heeft vooral veel parkeerruzies onder te knusse hovelingen opgeleverd. En de schuttingen achter de tuinen hadden de vreemde eigenschap om in de loop der jaren aan de wandel te gaan. Vele hectares gemeentegroen zijn ermee weggesnoept.

Den Helder had ook haakblokken met voor- en achterkanten vermengd aan eenzelfde pleintje. Bewoners wilden er privacy, maar de gemeente wilde ook ogen op een prettig ogend hofje. Hoe en hoe hoog moesten de erfafscheidingen dan worden? We kwamen er niet goed uit. Achtertuinen aan publieke zijden zijn vaak esthetische probleemgevallen. Rijd bijvoorbeeld eens over doorgaande wegen in het Amsterdamse Slotermeer: armzalige schuttinggalerijen, overal recht in het gezicht. Als stedenbouwkundigen privacy niet standaard meeleveren, construeren bewoners het later wel op eigen wijze.



Hardnekkige lekkages


Al met al is het niet gek dat wijken met open verkavelingen vaak te vinden zijn op de goedkopere pagina's van Funda. En dat dus steeds vaker wordt teruggegrepen op dat vertrouwde en beproefde gesloten bouwblok. En toch, en toch. Vele stedenbouwkundigen blijven het proberen met lekkende blokken.

In het plan voor de nieuwe Amsterdamse Sluisbuurt bijvoorbeeld. De torens overschaduwen het belangrijkste planonderdeel: de open blokstructuren. Of de Debussylaan op de Amsterdamse Zuidas: halverwege passeert de voorbijganger er een enorm gat. Er is geen hek, maar voorbijgangers hebben niets op die binnenplaats te zoeken. Elders in de stad worden open blokken vaak wel gecombineerd met hekwerken, met onvriendelijke teksten als 'eigen terrein' of 'verboden voor onbevoegden'. Maar waarom dan geen fraai gesloten blok, als lelijke hekken de boel toch wel afsluiten? Cityplot in Buiksloterham, dat waarschijnlijk eind 2017 in aanbouw wordt genomen, bevat helemaal een intrigerend samenspel van publiek-private binnenterreintjes waar al mijn beheerderslichten van op rood gaan staan. Hekkenfabrikanten kunnen de bestellingen vanuit Cityplot alvast handenwrijvend noteren. En ook buiten Amsterdam lekt het op veel plekken. Het Maastrichtse Sfinx-Ceramique bijvoorbeeld: ambitieuze gatenkaas. Zou er enige zelfkritiek bij Jo Coenen opkomen, als hij ziet dat bijna iedereen nog altijd aan de veel knussere overkant van de Maas loopt?

Wat is dat toch met die hang naar open ruimtes? 'Delftse gaten', hoorde ik laatst van iemand. De TU Delft doceert al decennia open structuren, waardoor veel (steden)bouwkundigen argwanend blijven tegen gesloten bouwblokken. Het wordt tijd om hun bezwaren ten grave te dragen. Ik loop er vijf langs.



Vijf op een rij


Diversiteit. Velen vinden een mix van open en gesloten verkavelingen belangrijk voor de afwisseling. De Amsterdamse grachtengordel logenstraft dit punt echter onmiddellijk: een en al gesloten bouwblok, maar met een enorme diversiteit! Kortom: echte diversiteit bereik je op andere manieren.

Hoek. Gesloten blokken zijn lastig in de hoeken. Maar goed, in de 19e eeuw konden ze het toch ook? Hoekpanden worden vaak juist hooggewaardeerd en lenen zich voor bijzondere functies. Bovendien: hoekoplossingen van andere verkavelingen zijn meestal ook niet om over naar huis te schrijven: nutteloze zijtuinen, schuttingen, blinde muren.

Ruimte. Open blokken geven meer ruimte. Absoluut, maar vooral ruimte met een onbestemd en daarmee unheimisch eigenaarschap. Bovendien: meer ruimte is niet beter, maar winderiger. Om stedenbouwkundige Jan Gehl te citeren: "If in doubt, leave some space out."

Zon. Geslotenheid neemt zon weg. Zou kunnen, maar zon is niet hetzelfde als licht. Zeker met de opwarming van de aarde is schaduw belangrijker. Veel steden planten juist meer bomen tegen zonnehitte. Mensen klappen meestal als eerste hun zonnescherm uit als de zon goed doorbreekt. Mijn vrouw, met haar fijne oog voor sfeer, heeft een hekel aan grote ramen. Want huiskamers achter grote raampartijen worden meestal bedekt met lelijke rolluiken, vitrages of dikke gordijnen. Raampartijen op zonkanten maken bakovens, helemaal bij goedgeïsoleerde huizen waar geen raam open kan. Kortom: de zon wordt overschat.

En dan was er nog een voormalige stedenbouwkundige collega, die het teruggrijpen naar uitontwikkelde ideeën uit het verleden vergeleek met 'de handdoek in de ring werpen': je stopt daarmee met nadenken over verbeteringen. Het gesloten bouwblok als gesloten boek. Het verhaal is af, het stedenbouwkundige eindstation is bereikt. Misschien, maar we moeten veranderingen natuurlijk niet verwarren met verbeteringen. Bovendien zijn ook open blokken al lang geen vernieuwingen meer.

Kortom: lang leve het gesloten bouwblok! Wie voelt zich aangesproken en haalt de handdoek uit de ring?




Favoriete buurten

(27 december 2016)


Buurten zijn de ruimtelijke eenheid waarin de menselijke maat - het buurtgevoel, de bakker op de hoek - het beste tot uitdrukking komt. Velen van ons koesteren een favoriete buurt in de stad waar we wonen of werken, of anderszins iets mee hebben. Het is niet alleen leuk, maar ook nuttig om daarover na te denken, want favorieten zijn goede lessen voor buurten die nog moeten worden ontwikkeld. Ikzelf houd van buurten die stedelijk zijn, maar met rafelranden en met plekjes van weldadige rust. Buurten die ik mij in mijn gedachten kan toe-eigenen, juist omdat ik weet dat ze niet als topfavoriet te boek staan. Buurten buiten de collectieve kaart van hotspots, maar daar toch niet ver vandaan. Mijn voorkeur heeft daarmee iets van twee walletjes eten, een van die vele twijfelachtige menselijke eigenschappen. Maar in gedachten mag alles.

Mijn Amsterdamse favoriet is een buurt die geen naam heeft, maar zich laat definiëren als een cirkel met een straal van zo'n 600 meter rondom Brouwerij het IJ op de grens van Oost. Dat die brouwerij het middelpunt vormt, is toeval, hoewel ik er best eentje lust. Het is vooral een fraai kruispunt van wateren, wegen en buurten. De wateren zijn daar eerder vaarten dan grachten, een verschil waar ik met mijn Noord-Noord-Hollandse wortels extra gevoelig voor ben. En voor die molen natuurlijk ook.

De buurt is gevarieerd, dynamisch en rommelig. Het is er niet af, er is een pompstation, er zijn lege plekken, wat het plezierige gevoel geeft dat de stad zich ontwikkelt. Leegtes worden er de laatste tijd snel opgevuld, zoals opvallend smaakvol is gebeurd op de kop van de Czaar Peterstraat. De omgeving vormt een zeer diverse stedenbouwkundige galerij, met veel fraaie gebouwen (Wentstraat), maar ook lelijke (Roomtuintjes). Smaakvol zijn de vele verbouwde pakhuizen, met vanaf de zolders van het Entrepotdok surrealistisch zicht op de giraffes van de Artissavanne. En dan de Dapperbuurt natuurlijk, die minder smaakvol is, maar wel het toneel van de allereerste praktijkopdracht van mijn planologiestudie in 1989.

Het Tropenmuseum vormt een prachtige westelijke begrenzing van de buurt. Aan de oostkant is het hoge spoor de grens. Volgens velen vormen stadsspoorlijnen te harde barrières, maar ik ben er een liefhebber van, zeker als ze mooi worden ingepast, met van die ijzeren bogen, met gevulde plinten eronder. Daar valt in Amsterdam nog winst mee te behalen.

Met de groei en de verdichting van Amsterdam zal ook dit stuk stad uiteindelijk worden verzwolgen door alles wat met hoogstedelijkheid wordt geassocieerd. Dat is een sterfproces; cityvorming en gentrificering maakt vele vijanden. Maar zoals het leven vloeit, vloeit de stad ook. Ik moet er daarom niet rouwig om zijn, maar meedeinen, in de hoop en de verwachting dat elke verandering leidt tot weer nieuwe buurten die een column waard zijn.

Voorlopig is de Brouwerijbuurt - laat ik 'm zo dan maar dopen - een leuk stuk stad, dat laat zien dat schoonheid een kwestie is van goed plannen, maar soms juist ook van een gebrek daaraan, zodat het toeval z'n onderschatte werk kan doen. Dat soms de mooiste dingen ontstaan omdat de greep van planners er niet altijd was, is een waardevolle les in bescheidenheid voor planologen en stedenbouwkundigen.




Jane Jacobs als model voor toekomstige stadsplanning

(11 september 2016)


Het is Jane Jacobsjaar: deze grote stadsdenker viert dit jaar in de hemel haar 100e geboortedag. Dat gaat in de wereld niet onopgemerkt voorbij. Ook Ruimtevolk wijdde op 17 mei een college aan haar. Jacobs' gedachtengoed is springlevend, maar het effect ervan op onze ruimtelijke omgeving helaas een stuk minder. Dat kan anders.

Voor wie er oog voor heeft, is Jacobs' recept met haar vier voorwaarden voor vitale stedelijkheid van een verbluffende schoonheid: diversiteit in ruimte (fijnmazige straten), tijd (mix van oude en nieuwe gebouwen) en functie (menging). Je hoeft dan nog slechts de druk op te voeren (hoge dichtheid), en de sociale, economische en culturele gisting start vanzelf. Grandioos: een stedenbouwkundig frame van driedimensionale diversiteit, waarbinnen de stad zichzelf ontwikkelt. Het doet denken aan de ecologie: zelfregenererend, divers, fijnkorrelig in eigenaarschap en initiatief. Kortom: als een regenwoud, niet als een plantage.

Wie niet alleen Jacobs' beroemdste boek Death and Life of Great American Cities uit 1961 leest, maar ook haar boeken daarna, ontdekt dat zij met organische en evolutionaire blik naar de wereld keek. Historische patronen, van gisteren tot de oude Romeinen of zelfs daarvoor, voorspellen het beste de neigingen van de mens van morgen. En dan kun je daar in je planning maar beter rekening mee houden. Zij vond zichzelf daarom een anti-ideoloog. In een van haar interviews zei ze: "I'm not trying to say how things ought to be according to some kind of ideology, but how things actually are." Anders gezegd: "Seeking truth from facts." Dat levert inderdaad dwingend proza op, die een recensent eens bracht tot de woorden: "It's hard to disagree with mrs. Jacobs."

Niets ideologisch dus, maar haar sympathisanten worden toch vaak gezien als idealisten, als romantici met weinig oog voor de realiteit. Met die realiteit wordt natuurlijk de gangbare planning bedoeld, waarmee wij onze moderne steden nu eenmaal vormgeven. Maar ondertussen is die gangbare planning zelf idealistisch zonder dat we dat in de gaten hebben. Onze planningsidealen heten woonprogramma's, detailhandelsbeleid, parkeernormen, kantorenparken enzovoorts. En de nieuwste natuurlijk: 'smart cities'.
Onze gangbare planning (in technische en culturele zin) produceert al vele decennia steden en wijken die flink verschillen van die van voor de Eerste Wereldoorlog: ruimer, monofunctioneler, grootschaliger. Maar de evolutionair bepaalde voorkeuren van de mens zijn nauwelijks meeveranderd. En dus zien moderne stedenbouwkundigen met lede ogen aan dat die oude Negen Straatjes populairder blijken dan hun grote, glimmende geesteskinderen in de nieuwe wijken.

Jane Jacobs betoogde in 1981 in Hamburg dat grote plannen meestal ongewenst zijn, want saai ("big plans are the products of too few minds"), slechte grond voor innovatie, en inflexibel. Maar dat betekent niet dat ze grote plannen categorisch afwees. Voor zoiets als stadsstraten of metrolijnen zul je groot moeten denken. Jacobs wordt daarom vaak te eenzijdig uitgelegd als loslaten, als ruimte bieden aan hippe burgerinitiatieven. Het stedelijk frame moet wel degelijk collectief worden bepaald. Barend Jansen becommentarieerde onder het Ruimtevolkverslag (Josse de Voogd, 16 juni) van het genoemde Jacobs-college treffend: "De stad teruggeven aan burgers betekent niet het ontwerp aan hen overlaten, maar hun behoeften als uitgangspunt nemen voor het ontwerp. En dan bedoel ik de sociaal-psychologische basisbehoeften die elk mens heeft ten opzichte van zijn omgeving: sociale veiligheid, aanpasbaarheid/controle, identiteit, afwisseling, leesbaarheid en sociale interactie. De menselijke maat komt uit die behoeften voort. Niet gemakzucht, ongeduld en angst, de principes waarop de huidige stedenbouw is gebaseerd."

Ongemakkelijke woorden voor een samenleving die weinig anders kent dan de huidige stedenbouw. Herman Herzberger legde zich er op 17 mei wat al te gemakkelijk bij neer, toen hij betoogde dat de ideeën van Jacobs hooguit als 'smokkelwaar' de mainstream-planning kunnen worden binnengebracht. Mainstream-planning als granieten maat der dingen, vooral leidend tot Vinexwijken en kantorenblokken omringd door gras dat hooguit wordt gebruikt door verdwaalde konijnen. Baksels die nog steeds maar weinig harten raken, waar geen stedentrip naartoe gaat en waar vaak smalend over wordt gesproken op verjaardagsfeestjes. Of zoals de Deense stedenbouwkundige Jan Gehl weleens betoogt: "Een boek over geweldige nieuwe steden in de 21e eeuw zou het dunste boek zijn dat je ooit hebt gezien."

Binnenstedelijk doen we het beter, maar ook daar trekt gangbare planning zich nog te weinig aan van Jacobs-achtige inzichten. Neem Overhoeks in Amsterdam-Noord. Herman Herzberger daarover: "Eenzame gebouwen in een groen, groen knollenland". De ontwikkelaar zal zeggen dat er nu eenmaal vraag is naar rustig wonen vlakbij de centrale stad. Ja, allicht. Op zo'n plek is het moeilijker om iets te verzinnen waar géén vraag naar is. Maar in stadsplanning is de som van individuele behoeften niet per se hetzelfde als de collectieve behoefte. Overhoeks parasiteert op de stad. Als het in Almere was gebouwd, dan was het in de makelaarsfolders het zoveelste niemendalletje geweest. Overhoeks profiteert van de stad, maar vormt het niet zelf. Dat lijkt een ideologisch detail waar niemand schade van ondervindt, zoals bijvoorbeeld een nieuwe snelweg langs een woonwijk mensen schade toebrengt. Maar de indirecte slachtoffers van Overhoeks-achtige ontwikkelingen zijn talrijk. Want als zelfs de geografisch kansrijke plekken om echte stedelijkheid toe te voegen worden verspild aan suburbane gemaksbouw, dan raakt ruimtelijk Nederland steeds meer uit balans: schaars blijvende, dure steden met miljonairs en toeristen, uitdijend suburbia volgepakt met velen die liever anders hadden gewoond en hun vertier dan maar als dagjesmensen in die goede oude steden zoeken. Een dubbele mislukking: te saaie nieuwe steden, verpretparkte oude steden.

Rond de jaren zestig verordonneerde de gangbare planning dat stedelijkheid werd gesloopt. Gelukkig waren protesterende bewoners toen wijzer. Nu verordonneert de gangbare planning dat stedelijkheid wordt behouden. We zien tegenwoordig de grote waarde van onze centrale steden, niet alleen in monumentale zin, maar ook als biotoop voor springlevende moderne gemeenschappen. Dat is een belangrijke stap. Nu wordt de volgende stap belangrijk: van behoud naar uitbreiding. Van het krampachtig conserveren van oud stedelijk weefsel naar de verwezenlijking van nieuw weefsel dat voldoet aan diezelfde succesvolle criteria. En laten we dit niet verwarren met historiserend bouwen; het gaat niet om de geveltjes, maar om het stedelijk organisme zoals Jane Jacobs dat bedoelt. Zij wijst ons de weg naar geweldige ideeën die meer ruimte vereisen dan dit blog: kleinere spelers, plintstrategieën, sturen op omgevingseffecten in plaats van op functie, andere normen, een andere rol voor de gemeente. De nieuwe Omgevingswet biedt daartoe welkome aanknopingspunten. Wie denkt mee?




Slow cities

(20 januari 2016)


"Het openbaar vervoer brengt mij van een plek waar ik niet ben naar een plek waar ik niet moet zijn."
Veelgehoorde automobilistenpraat op verjaardagsfeestjes. En ze hebben gelijk. De auto is vaak superieur aan de trein, zelfs als je er hier en daar mee in de file staat. Alsof dat nog niet genoeg is, belooft de elektrische, zelfrijdende auto straks korte metten te maken met resterende problemen als co2 en parkeren. Je zou bijna denken dat we er in onze ruimtelijke toekomst maar volop rekening mee moeten houden.

Maar dat is te snel gedacht.


In de klacht over voor- en natransport van openbaar vervoer ligt een wensbeeld besloten waarin iedereen zichzelf rimpelloos van de ene naar de andere locatie kan flitsen. De filosoof Henk Oosterling schreef in dit verband over de 'capsulaire versnelling' van de moderne samenleving. Het ideaal dat menigeen bewust of onbewust voor ogen heeft, is een reis waarin het 'onderweg zijn' als het ware wordt opgeheven. Vanuit ons huis stappen we direct in onze van de publieke ruimte afgesloten capsule (de auto), die ons op liefst ononderbroken hoge snelheid brengt naar een parkeerplek recht onder het gebouw waar we moeten zijn. Een interne lift zorgt er vervolgens voor dat we ons volledig capsulair - dat wil zeggen zonder te hebben blootgestaan aan de publieke ruimte - van de ene naar de andere plek hebben laten brengen. In een land als Zuid-Afrika, waar de publieke ruimte gelijk staat aan gevaar, zijn dergelijke verplaatsingen al lang de norm voor wie ze kan betalen.

Voor de betreffende reiziger kan zo'n verplaatsing heel fijn, veilig en comfortabel zijn. Het is een verleidelijk ideaal dat veel verklaart: de populariteit van parkeergarages, de drang om hard te rijden, de ontwerpen voor obstakelvrije fly-overs. Maar voor de stad - en dus uiteindelijk voor ons allen - is dat ideaal een valstrik. Als we het voor elkaar zouden krijgen dat iedereen zich zo beweegt, is er niemand op straat. En dat willen we natuurlijk niet. Want ook autoliefhebbers zitten op een zonovergoten terras maar al te graag naar voorbijgangers te kijken. Maar als er niemand meer voorbij gaat, waar moeten ze dan naar kijken? Naar ingehuurde figuranten?


Burgerschap

Nee, straatleven moet natuurlijk wel een authentieke ervaring zijn. Daarom hebben dichtbebouwde, aantrekkelijke stadsstraten een verkeers- en een bestemmingsfunctie tegelijkertijd. Zo zorgt het feit dat de trein niet vanaf mijn voortuin vertrekt ervoor dat ik tweemaal daags het Alkmaarse Ritsevoort verrijk met straatleven, ook al heb ik daar niets te zoeken. Maar mijn effect op die straat is alleen positief als ik fiets of wandel. Dat vinden veel bewoners in mijn werkgemeente Den Helder ook. Daar pleiten zij regelmatig voor wijkagenten op de fiets, in plaats van in de politieauto. Want op de fiets voelt nabijer en veiliger, zeggen ze dan. Logisch, maar dan geldt dat natuurlijk ook voor die duizenden informele politieagenten van de stad: de bewoners zelf. Geen veiliger straat dan een drukke straat, maar dan wel zonder staal tussen mens en omgeving.

Volwaardig burgerschap houdt in dat we aantrekkelijkheid en veiligheid niet alleen consumeren, maar dat we er zelf aan bijdragen. Burgers zijn geen sprinkhanen, maar hebben een medeverantwoordelijkheid als producenten van de stad. Niet alleen door bijvoorbeeld boodschappen voor de gehandicapte buurvrouw mee te nemen, maar ook door daarmee de publieke ruimte te verrijken. Niet alleen bij die ene bakker of dat ene terras als uiteindelijke bestemming, maar ook op allerlei routes ernaartoe. Want daarmee wordt een stad een dicht en fijnmazig netwerk van publiek leven, in plaats van een dunbezaaide eilandengroep.


Onderweg zijn

Hoe minder capsulaire verplaatsingen, hoe meer mogelijkheden voor verdichting, hoe meer langzaam verkeer, hoe beter voor de stad. Snelheid gaat letterlijk voorbij aan de essentie. Want die ligt op straat. Het is daarom tijd voor een herwaardering voor het onderweg zijn en voor de moeite die daarbij hoort. De tekenen zijn goed: lopen en fietsen zijn gezond, reizen en stedentrips zijn zeer in trek. Als mensen zo graag rondlopen op Tenerife, in Thailand of in Parijs, dan ook met net zulke goede redenen in hun eigen stad.

Walther Ploos van Amstel schreef laatst in Het Parool: "Wandelend zie je meer, geniet je meer, versier je meer." Hij constateert dat voetgangers in Amsterdam in de meerderheid zijn, maar door verkeerskundigen worden genegeerd, omdat "verkeersmodellen de aantallen niet aankunnen." Beleidsmatig leiden voetgangers een marginaal bestaan. Ze krijgen weinig ruimte, bij stoplichten krijgen ze de restseconden. Ze hebben geen voetgangersbond. Lopen is zo vanzelfsprekend, dat het niet in beeld is. Het is als de vis die zich als laatste realiseert dat er water bestaat. Laten we ons via electrische en zelfrijdende auto's dus niet misleiden naar smart cities, maar prioriteit geven aan slow cities. Want niet capsules, maar wandelaars en fietsers brengen steden tot leven.

De sleetse vrees van met name winkeliers dat stedelijke gebieden doodbloeden als auto's ruimte moeten maken voor fietsers en voetgangers, is bij mijn weten nog nooit uitgekomen. Integendeel: veel met name Amerikaanse steden waar zeeën van ruimte zijn gemaakt voor de auto, zijn naargeestig en uitgestorven, terwijl (veelal Europese) dichte, autoluwe stedelijke gebieden mensen trekken als bijen op de honing. Als mensen ergens graag heen willen, dan vinden ze hun weg wel, op welke manier dan ook. Neem bijvoorbeeld de balletlerares van mijn dochters, die elke woensdagmiddag vanuit Zaandam per auto naar Alkmaar-centrum rijdt. Ze mijdt de dure parkeergarage en zet haar auto een wijk verderop, vanwaar ze skeelert naar de balletschool. Alkmaar ziet zijn beperkte autobereikbaarheid dus elke woensdag tweemaal op fraaie wijze beloond met een skeelerende vrouw door haar straten.

Rijden van en naar plekken waar je niet moet zijn. Inderdaad. En laat dat nu precies de bedoeling zijn!




Geen koffie zonder bevoorrading

(6 september 2015)


Veel centrale oude steden bloeien als nooit tevoren, met als opvallende verschijningsvorm het toenemende aantal hippe koffiecorners, eethuizen en terrassen. Decennialang zijn er talloze pogingen gedaan om de centraalstedelijke succesformule in andere gebieden te kopiëren. Want ook in de centra van Hoofddorp of Zoetermeer-Oosterheem wil men bruisende eet-, drink- en winkelactiviteiten tegen de gevels zien klotsen. Maar het blijkt moeilijk om de kopieën net zo goed te maken als het origineel. De latte macchiato heeft in Almere een minder goede afdronk dan in bijvoorbeeld de Haarlemse binnenstad. Dat komt onder meer omdat de kopieerders niet het gehele origineel overnemen. Dat zit 'm in verschillende dingen, waarvan ik de wijze van bevoorrading er voor deze gelegenheid even uitlicht.

Bedenkers van nieuwe horeca- en winkelgebieden streven rimpelloze eet- en winkelervaringen na, vrij van bevoorradingsverkeer. De straten en pleinen waaraan het openbare koffie- en eetfestijn moet plaatsvinden, worden er exclusief voor ingericht. De rekening daarvoor wordt echter betaald aan de achterkanten van diezelfde etablissementen. Daar, aan de zelfkant van de horecabeleving, vindt voeding van de eethuizen plaats in unheimische, halfverstopte bevoorradingsstraten. De koffiedrinkers aan de glanzende kant van het gebouw verkeren in de illusie dat bevoorrading niet plaatsvindt, dat de koffiebonen uit de hemel zijn neergedaald. Het ontwerpuitgangspunt is klaarblijkelijk: openbare afvoer, stiekeme aanvoer. De ontwerpers laten zich daarbij wellicht inspireren door de etende mens zelf, die eveneens is voorzien van gescheiden aan- en afvoersystemen. Alleen precies andersom: de voeding van de mens vindt juist zo openbaar mogelijk plaats, terwijl de menselijke afvoer stiekem plaatsvindt op voor het publieke oog verborgen toiletten.

Gescheiden aan- en afvoer mag voor de mens natuurlijk zijn, maar voor café's en restaurants is het dat allerminst. Want populaire horecaplekken in de centrale oude steden hebben bijna nooit van die vermaledijde achterkanten. Daar maken traditionele gesloten bouwblokken met private binnentuinen de dienst uit en worden alle winkels en restaurants dus noodzakelijkerwijs aan de publiekszijde bevoorraad. Inderdaad: precies daar waar de mensen winkelen en van hun eten genieten. Een beetje onhandig soms, maar dat vormt nu juist de charmante aantrekkingskracht van binnensteden. Door bevoorraders te verbannen naar expeditiestraten aan achterkanten of soms zelfs in het onderaardse, elimineren de ingenieurs van moderne horecagebieden niet alleen de charme, maar ook een deel van de sociale veiligheid. Want in centrale oude steden zorgen bevoorradingsactiviteiten voor wat leven op straat op tijden dat de eettafels leeg zijn. Hier zijn bevoorraders niet gedegradeerd tot obscure halfmensen, maar spelen zij een volwaardige publieke rol op het hoofdtoneel van de stad.

De stedelijke koffie- en eetbeleving is meer dan het inwendige alleen. De stad is een holistische ervaring: een complex samenspel van zintuigprikkels die complementair zijn aan elkaar. Wie schijnbaar lastige elementen, zoals bevoorrading, uit die ervaring amputeert, zal de holistische ervaring niet meer ten volle ondergaan. Het is als met die vroegere Unoxreclame: naast het eten van de worst was de man die vanuit de gure, natte kou het knusse huis binnenkwam een essentieel onderdeel van het Unoxgevoel. Geen Unoxworst zonder gure kou, geen latte macchiato zonder bevoorrading. Want hoe meer activiteiten ruimtelijk worden verbijzonderd, hoe klinischer en onveiliger publieke ruimten zullen voelen. Centrale oude steden bewijzen dat compacte verzamelplaatsen van zoveel mogelijk uiteenlopende publieke activiteiten onovertroffen zijn. Bewoners, bezoekers, eters, drinkers èn bevoorraders: samen maken zij de aantrekkelijkste stad!




De alleenstaande en de stad

(7 juli 2015)


Nooit eerder heeft de mens zoveel alleen gewoond als nu in de westerse samenleving. Dit heeft enorme consequenties voor onze sociale, ruimtelijke en institutionele omgeving, en toch staat het zelden centraal in het ruimtelijke debat. Een poging tot agendering.


Anno 2015 bestaat 37 procent van de Nederlandse huishoudens uit alleenstaanden, terwijl dat in 1980 nog 23 procent was, en daarvoor nog veel minder. Naar verwachting groeit dat percentage verder naar ruim boven de veertig procent. Dat is ook te zien aan het gemiddeld aantal mensen dat in een woning woont. In de jaren zestig was dat nog bijna vier, nu minder dan 2,3.
De opkomst van de alleenstaande heeft volgens de Amerikaan Eric Klinenberg (Going Solo, 2012) de volgende oorzaken: welvaartsgroei, de verzorgingsstaat, vrouwenemancipatie, de groei van steden, vergrijzing, een hogere levensverwachting, internet en televisie. Daarboven hangt een breed cultureel patroon dat hij samenvat met: "A moral code which puts one's obligation to care for the self on par with, if not above, one's commitment to family." Aangezien het niet voor de hand ligt dat deze achterliggende krachten zomaar zullen verdwijnen, doen we er goed aan om de vele alleenstaanden te accepteren als moderne realiteit en onze institutionele en ruimtelijke omgeving zo in te richten dat ook zij goed gedijen.


Gelukzalige gezinnen

De opkomst van de alleenstaande is vanaf de jaren zestig paradoxaal genoeg gelijk opgegaan met de enorme opkomst van de eengezinswoning in suburbane omgevingen. Deels is dat een doorschuifproces geweest: gezinnen trokken van drie hoog achter naar suburbia, de opkomende alleenstaande vond plek in de vrijkomende stad. Dit doorstromingsproces vond zo vloeiend en bijna vanzelfsprekend plaats, dat er gewoonten zijn ingesleten waar we bijna geen vragen meer bij stellen. Nog steeds worden er in vele Nederlandse weilanden heipalen geslagen met billboards vol jonge, gelukzalige gezinnen, alsof er sinds de jaren zestig demografisch niets is veranderd. Toen ik twaalf jaar geleden nog huishoudensprognoses maakte bij de provincie Gelderland, viel me al op dat slechts de een- en tweepersoonhuishoudens (en vooral die eerste) nog in aantal zouden groeien.

Deze noties zijn onder stadsontwikkelaars en vele anderen nog geen gemeengoed. Volgens Klinenberg komt dat ten dele doordat alleenstaanden geen vaste, homogene groep vormen met een duidelijk afgebakend belang of met een eigen trots. Zij hebben zich niet georganiseerd zoals bijvoorbeeld 50+ers, huurders, homoseksuelen, ondernemers, moslims, buurtbewoners of PGB-ers dat doen. Alleenstaanden zijn een vlottende categorie in alle lagen van de bevolking: hippe jongeren, kwetsbare ouderen en alles ertussenin. Nederland zit vol met alleenstaanden, maar ze laten zich niet horen.

Ze stemmen echter wel met de voeten, en die bewegen zich - hoe kan het ook anders - naar de stad.


Togetherness

Stedelijkheid wordt vaak aangeprezen in rationele, economische termen: het belang van de kenniseconomie, kennisuitwisseling, third place working creative class. Maar dat is te beperkt beschouwd. Juist alleenstaanden maken duidelijk dat stedelijkheid van belang is voor de hele mens, niet alleen de economische. De mens leeft ook als hij niet werkt (de oudere werkt zelfs helemaal niet), en stelt dus sociale eisen aan zijn woon- en leefomgeving. Uit de gesprekken van Klinenberg met alleenstaanden wordt duidelijk dat velen van hen zelfbewust van twee walletjes wensen te eten. Voor een steeds grotere groep is alleen wonen geen meelijwekkend intermezzo tussen echtscheidingen, verweduwing en dood in, maar een bewuste keuze. Zij waarderen hun onafhankelijkheid en privacy thuis en willen op straat aanvullen wat ze thuis tekortkomen. Dat vereist dichtbevolkte, levendige, veilige straten met veel voorzieningen en volop spontane, vrijblijvende ontmoetingsmogelijkheden. Zoals Klinenberg zegt: intimacy at a distance. Niet iemand om bij thuis te komen, maar iemand om mee uit te gaan. Je zou ook kunnen zeggen: de stad als beschut en gezellig tehuis, maar dan zonder de zuster die je vertelt wat je moet doen.

Vrijblijvendheid is hier cruciaal. Jane Jacobs waarschuwde al in 1961 voor, wat zij noemde, 'togetherness': steriele woonomgevingen die het vooral moeten hebben van geforceerd/georganiseerd/verplicht sociaal contact, met vaak als onbedoeld resultaat dat bewoners sociaal contact dan maar liever geheel vermijden. Liever niets dan alles. Dus wonen de meeste ouderen liever alleen dan bij hun kinderen. En dus hebben roommates een twijfelachtige reputatie, evenals intramurale woonvormen met gezamenlijke maaltijden. Maar dat maakt de vrijwillige keuze voor de eenzaamheid nog geen gelukkige. Eenzaamheid wordt onder alleenstaande ouderen vaak juist genoemd als grootste probleem, en domotica lost dat niet voor ze op.

Jacobs vond dat 'togetherness' mensen dwingt tot een venijnige keuze tussen twee kwaden. Terwijl juist voor alleenstaanden woonvormen en -omgevingen van belang zijn die een fijnzinnig samenspel bieden tussen privacy en contact. Het spreekt bijna voor zich dat Vinexwijken waar in de folders veel meer mensen op straat stonden ingetekend dan er in werkelijkheid rondlopen voor hen minder geschikt zijn. Alleenstaanden verlangen een prikkelende omgeving, geen groot huis. En ook geen, zoals kritische Amerikanen weleens sneren: ' soulcrushing suburban sprawl.'


Wooncarrière

Dit is geen pleidooi om vanaf nu wijken speciaal voor alleenstaanden te bouwen, en ook niet voor ouderen. Want veel mensen houden niet van stigma's. Bovendien zijn de meeste alleenstaanden dat niet hun leven lang. Dit is wel een pleidooi voor reparatie van een gegroeide onbalans: het aantal aantrekkelijke woonomgevingen voor alleenstaanden is onvoldoende meegegroeid met het aantal alleenstaanden, met een toenemende druk op te schaars stedelijk aanbod als resultaat. De voorspelbare wooncarrière uit het traditionele boekje gaat vaak niet meer op. De stad moet zich zodanig vormen naar de wispelturigheid en de individualiteit van de hedendaagse mens, dat stedelijke opties niet schaarser en duurder worden dan suburbane opties. Het stedelijke aanbod moet dus omhoog.

Het recente Oranjehof in Alkmaar laat zien hoe vaak deze boodschap nog gebrekkig wordt begrepen, zelfs op plekken die kansrijk zijn voor de hier bedoelde concepten. De smakelijke architectuur van de appartementen kan niet verhullen dat het Le Corbusier après la lettre betreft. De woningen zijn geschikt voor alleenstaanden, maar de woonomgeving veel minder: een lege compound afhankelijk van togetherness dat er slecht ontkiemt. Weliswaar dichtbij de stad, maar niet zelf stad creërend. De recente nieuwbouw in Amsterdam-Overhoeks lijdt aan vrijwel dezelfde kwaal.

De roep om meer stedelijkheid groeit, zelfs onder jonge gezinnen. Dat is anno 2015 niets nieuws onder de zon. De massale opkomst van het alleen wonen is echter een argument waarmee deze roep op welkome wijze kan worden versterkt.




De democratische ruimte

(2 maart 2015)


Het Jaar van de Ruimte, de IABR 2014, Ruimtevolk-expedities: zomaar een greep uit de ruimtelijke discussieagenda van de laatste tijd. Al jaren vraag ik mij af: hoe kunnen al die ruimtelijke bijeenkomsten, discussies en plannenmakerij in relatieve politieke luwte plaatsvinden? Verkiezingen, tv-programma's en opiniepeilingen gaan over immigratie, inkomen of zorg, en maar weinig over onze directe (!) leefomgeving. Vreemd en zorgelijk misschien ook, wanneer je bedenkt dat onze fysieke omgeving invloed heeft op de wijze waarop we leven en waarop we met elkaar omgaan.


De gejatte stad

Laten we eerlijk zijn: veel ruimtevolk bevindt zich in stadhuizen, discussieert in eigen, hoogopgeleide kringen en spreekt haar eigen taal. Op het laatste LPB-congres, afgelopen november in Groningen, sprak Jacques Wallage over de uitholling van de democratie. Vrij vertaald naar het ruimtelijke vakgebied zei hij: "Planologen en stedenbouwkundigen hebben de stad van de burger gejat." Niets is volgens Wallage verdrietiger dan het geforceerde samenzijn tussen ruimtevolk en burgervolk in een muf buurthuis waar de slingers van de bruiloft van de vorige dag nog hangen, waar er ingesproken mag worden op een nieuw bestemmingsplan. En waar schaarse opmerkingen uit de zaal worden afgedaan met de dooddoener dat die "geen gevolgen hebben voor het plan." Wat een lichtpunt in de democratie zou moeten zijn, is een bedoening zonder belangstelling, zonder overtuiging en zonder toekomst.

Met dit in het achterhoofd is een discussie over een enorm vraagstuk als de circulaire stad onder ruimtelijke professionals weinig meer dan een technische discussie in het luchtledige. Zonder draagvlak bij al die mensen die in het circulaire construct geacht worden te gaan leven is het een doodlopende weg richting apathie, protest en verkiezingszeperds, zoals we in dit tijdperk vaker zien. Want een stad kan nooit fundamenteel circulair worden met waardenneutrale technische ingrepen zonder gedragsverandering van stadsbewoners. Kortom: de circulaire stad vereist een circulaire democratie. Een democratie waar burgers geen lastige hobbel zijn die genomen moet worden, maar waar er meer wederkerigheid is tussen burgers en overheid.


De haarvaten van de stad

Die wederkerigheid kan op allerlei manieren vorm krijgen en dat gebeurt natuurlijk ook, maar als wijkmanager zie ik dat er veel meer haarvaten van de samenleving kunnen worden bereikt dan nu gebeurt. De duurzame vergezichten van veel ruimtelijke professionals zijn geen gemeengoed in een gemiddelde volkswijk, terwijl ik vaak merk dat de voedingsbodem voor duurzaamheid wel aanwezig is, ook bij mensen van wie je het niet verwacht. Zolang de gesprekken maar aansluiten op de belevingswereld van wijkbewoners en er sprake is van een echte dialoog. In de juiste sfeer blijkt het mogelijk om standaardvoorkeuren voor steen en blik bij te buigen richting groen en spelen. Het helpt ook om vaker aan te sluiten bij fora of manifestaties die in heel andere domeinen worden georganiseerd. Want als burgervolk niet als vanzelf op bijeenkomsten van planners afkomt, dan zal het andersom moeten gebeuren.

Wie twijfelt aan al te democratische recepten en stiekem veronderstelt dat professioneel ruimtevolk over duurzamere vermogens beschikt, moet bedenken dat professionals met een grote invloed op ruimtelijk Nederland lang niet altijd integere ideologen zijn, maar ook vertegenwoordigers van grote belangen die allesbehalve circulair zijn. Zelfs de ideologische professionals hebben wat duurzame waarden betreft niet overtuigd: veel wijken van hun goedbedoelende hand - denk aan galerijflats of menig bloemkoolwijk - zijn wegwerpwijken gebleken of dreigen dat te worden. De stad was misschien wel circulairder geweest als de massa, en niet, bijvoorbeeld, Le Corbusier of Friso de Zeeuw aan de knoppen had gezeten.

Misschien is de planningswereld daarom wel het probleem, in plaats van de oplossing. Planoloog Zef Hemel schreef onlangs in een van zijn blogs: "De planningswereld is een surreële wereld waarin elke sector zijn eigen planfiguur maakt." Hij gelooft meer in de kracht van de fijnkorrelige massa en verwijst daarbij onder meer naar auteur Nassim Taleb, die de massa 'anti-fragile' noemt: stabieler, zelfcorrigerender, met grotere betrokkenheid, lokaler en dichter bij de realiteit. Kortom: the power of the crowds is het enige eigenaarschap dat circulair is. Een grotere invloed van actieve burgers zorgt ervoor dat de stad zich meer als een regenwoud gaat gedragen, in plaats van een plantage.


De wilskrachtige stad

Ook in het regenwoud vervullen planners nog een cruciale rol. Niet door onderling de circulaire stad te bedenken, maar door naast burgers te staan en samen met hen op verkenning te gaan naar mooie circulaire perspectieven die in het verschiet liggen, als we er maar oog voor hebben en er iets voor over hebben. Het is de dure plicht van goede professionals om in te zetten wat bij veel stadsbewoners minder of anders is ontwikkeld: hun persoonlijke mening, hun waarden, inhoudelijke kennis, vakervaring en verbeeldingskracht. Vooral dat laatste is belangrijk, want velen zien slechts de stad of wijk waar we aan gewend zijn, niet hoe die zou kunnen zijn. Als er onderling vertrouwen groeit in de wijken waar argwaan door de straten waart en bewoners geïnspireerd raken via de taal van alledag, dan kunnen er mooie dingen ontstaan. Belangrijk daarbij is dat professionals bescheiden blijven. Bescheiden in het soortelijk gewicht van hun mening, maar ook in resultaatverwachting. Een klein succes is ook een succes, zeker als er veel van volgen. Denk groot, maar doe klein.




Stadsbevoorrading: een waarde op zich

(7 september 2014)


Enige jaren geleden zat ik op een mooie oktoberavond met mijn vrouw op een rustig terrasje langs Haverstock Hill, vlakbij het Londense metrostation Belsize Park. Het was een uur of tien, de meeste winkels waren al dicht, de straat stierf langzaam uit. Op zeker moment stopte een bestelbus langs een korte rij winkelpanden aan de overkant. De chauffeur begon verschillende goederen een van de winkels binnen te brengen. Na een minuut of tien vertrok hij weer, de straat in groeiende stilte achterlatend.


Zomaar een tafereel, maar ook de opmaat voor een beschouwing die ik veel te weinig tegenkom. Want het mooie aan deze bevoorrading was het publieke neveneffect ervan: het veroorzaakte activiteit op straat. Een straat die dat op dat tijdstip goed kon gebruiken; haar levendigheid dreigde onder het niveau te zakken waarop vrouwen nog alleen over straat durven. De bevoorradingsactiviteit maakte de straat interessanter, prettiger en veiliger. De korte groet die de man van de bestelbus gaf aan enkele voorbijgangers leek betekenisloos, maar droeg ertoe bij dat potentiële voetgangers de straat het voordeel van de twijfel bleven geven. Eén plus één was hier letterlijk drie.


Gesloten bouwblokken

Testvragen aan willekeurige mensen in mijn omgeving leren dat velen niet beseffen dat oude stadse, gesloten bouwblokken geen publieke achterkanten kennen. Ze kunnen om de blokken heen lopen tot ze een ons wegen, maar zullen hun ruimtelijke geheimen nooit ontdekken: vaak prachtige, serene binnentuinen, slechts bereikbaar voor de eigenaren van de panden in kwestie. Bevoorrading vindt daar dus noodzakelijkerwijs plaats aan de voorzijde. Ook in de drukke hoofdwinkelstraten van steden als Haarlem, Amsterdam of Groningen.
In moderne omgevingen hebben we de publieke neveneffecten van bevoorrading bij ons weggeorganiseerd. Vanaf omstreeks het Interbellum werden nieuwe winkelomgevingen steeds vaker voorzien van open achterkanten, waar bevoorrading gescheiden van het winkelend publiek kan plaatsvinden. Opgeruimd staat netjes, zullen ingenieurs denken. Maar voor sociologen ziet deze efficiënte orde er minder florissant uit. Zij weten dat fysieke veiligheid en sociale veiligheid vaak communicerende vaten zijn. Bevoorradingsstraten zijn van een gevaarlijke halfheid: het publiek kan erbij - ongure types dus ook - , maar heeft er niets te zoeken. En de winkelstraat blijft achter met stillere uren dan ze ons lief zijn.


Voeding en afvoer

We hebben hier te maken met een ondersoort van de bekende functiescheiding in wonen-werken-winkels-horeca. Bij winkels (en vaak ook horeca) worden de functies verder gescheiden in bevoorrading en afzet. Voor wie de winkel ziet als organisme, dringt de vergelijking met de mens zich op. Bij de mens vindt de voeding op enthousiaste wijze plaats in de publieke ruimte: markten, café's, terrassen, barbeques, restaurants. Hoe openbaarder men eet, hoe leuker voor de stad. De menselijke afvoer daarentegen vindt plaats op toiletten, afgesloten van het publieke oog. Hypocriet natuurlijk, doen alsof er alleen eten is en nooit het vervolg daarop, maar hiervoor zijn prima redenen van culturele en hygiënische aard. De moderne winkel (of winkelstraat) functioneert precies omgekeerd aan de mens. De afvoer van goederen vindt zo nadrukkelijk en openbaar mogelijk plaats. Het winkelen heeft zich zelfs geëmancipeerd tot activiteit met een nut in zichzelf, in perfecte, speciaal daaraan toegewijde publieke ruimten waar het geld obstakelvrij kan rollen. De voeding van winkels daarentegen vindt plaats in halfverborgen bevoorradingsstraten waar het reguliere publiek nauwelijks komt. Deze scheiding schept de illusie dat bevoorrading niet plaatsvindt, dat winkelartikelen uit de hemel zijn neergedaald. Net zo'n hypocriete wegstopperij dus als bij de mens, maar dan zonder de goede redenen van culturele of hygiënische aard.


'Oozings'

De nadelen van gescheiden bevoorrading doen zich niet alleen voor in de stille uren. Ook op drukke uren is duidelijk dat deze wijze van bevoorrading eilandvorming van winkels veroorzaakt, in plaats van dat ze deel uitmaken van aaneengesloten stedelijk weefsel. Het meest uitgesproken voorbeeld hiervan is de overdekte winkelmall. Tsja, daar kunnen de bestelbussen natuurlijk niet in. Jane Jacobs (1961) bezigde een mooie term voor de leegheid aan expeditiestraten, parkeerplaatsen, opslagplaatsen en groenstroken rondom grote, naar binnen gekeerde gebouwen: 'oozings'. Vrij vertaald: parelend wondvocht. Een mooie beeldspraak voor alles wat zo'n gebouw aan randzaken uitbraakt waar niemand primair in is geïnteresseerd. Het hyperambitieuze Zaanse Inverdan-project leidt aan dezelfde kwaal: winkelstraten van picture postcard-kwaliteit, maar met onherbergzame expeditiestraten erachter.
Om de bijtende kwalificaties van Jacobs te omzeilen, wenden moderne ontwerpers zich weleens tot ondergrondse oplossingen. De oozings zijn daarmee uit het zicht, maar dat is dan ook het enige voordeel. Toen enkele jaren geleden het gloednieuwe, ondergronds bevoorraadde stadscentrum van Almere werd opgeleverd, verschenen al snel berichten over vrachtwagenchauffeurs en expeditiemedewerkers die zich daar in het onderaardse onveilig zeiden te voelden. Ook ondergronds bevoorraden biedt sociale onveiligheid zowel in het bevoorradingsdeel als (na sluitingstijd) in het winkeldeel. Over dat laatste kunnen ze in Hoog Catharijne al jaren meepraten.


Ingenieurslogica

We denken moderne winkelomgevingen slim in te richten, maar het betreft slechts ingenieursslimheid, leidend tot een openbare ruimte als efficiënte transportbaan met gescheiden aan- en afvoersystemen. Het is geen toeval dat vrijwel geen enkele moderne winkelomgeving de sfeer en goede reputatie van oude straten heeft geëvenaard. Dat heeft te maken met meer dingen, maar de bevoorradingskwestie is daar zeker een van. Vanzelfsprekend is dit alles tevens een pleidooi voor fijnmazige stedelijkheid met een menselijke maat. Wie bevoorrading aan de publiekszijde wil uitproberen bij winkelomgevingen van Ikea-achtige proporties, zal bedrogen uitkomen. Deze omgevingen zijn zo'n eenzijdig product van ingenieurslogica, dat daar geen bevoorradingskruid meer tegen is gewassen.


Hoe meer activiteiten ruimtelijk worden verbijzonderd, hoe klinischer en onveiliger publieke ruimten voelen. Straten daarentegen die functioneren als verzamelplaatsen van uiteenlopende publieke activiteiten zijn geliefd en veilig, met robuuste kwaliteiten die waarschijnlijk ook nog eens het beste bestand zullen zijn tegen de opkomst van het internetwinkelen. Laten we daarom dat Londense tafereel op veel meer plaatsen tot leven brengen. Laten we de schaarse mensen die de publieke stedelijke ruimte op stille uren bevolken koesteren en vermeerderen, en dat lukt het best als we ze samenbrengen langs gesloten bouwblokken. Bewoners, bezoekers, personeel én bevoorraders: samen maakt dit volk de (winkel)straat tot een weliswaar soms rommelige, maar ook levendige en veilige ruimte. Hee, zouden we hier misschien 'ruimtevolk' mee bedoelen?




Donkere wolken boven de new towns

(22 juni 2014)


Steeds vaker verschijnen er zorgwekkende berichten over de staat van de 'new towns', een verzamelnaam voor gemeenten als Nieuwegein, Zoetermeer, Lelystad en Spijkenisse. Zij beleefden hun grootste groei vanaf de jaren zeventig en zijn dus vooral conglomeraten van bloemkoolwijken, Vinexwijken en andere suburbane aangroei. De positie van de voormalige groeisteden en groeikernen op de woning- en kantorenmarkt verslechtert ten opzichte van de oude steden, ze raken hier en daar wat in verval. Daarmee neemt de roep om een aanpak toe. Het woord 'aanpak' impliceert al bijna een project, misschien zelfs wel vanuit rijkswege. Toch wordt er vaak benadrukt dat bewoners en lokale ondernemers zelf aan het roer dienen te staan. Hoe dan ook, het is nuttig om te kijken wat de new towns kunnen leren van de wijkaanpak in de veertig Vogelaarwijken.


Visitatiecommissie

Nog niet zo lang geleden is de wijkaanpak geëvalueerd door een visitatiecommissie met Wim Deetman, Jos van der Lans en Rene Scherpenisse. De commissie noteerde kleine en grotere successen, maar was ook kritisch. De vijftien aanbevelingen van de commissie kwamen er samengevat op neer dat bestaande wijkprofessionals en (vooral) burgers een volwaardigere en duurzamere rol zouden moeten krijgen. Daarmee is niet gezegd dat de lijnorganisaties van gemeenten achterover kunnen leunen. Integendeel: zij dienen de entrepenerende buitenwereld duurzame steun te verlenen. In de Wijkengids staat ergens de fraaie opmerking dat de gemeentelijke systeemwereld geen taakorganisatie moet zijn, maar een capaciteitsorganisatie. Met andere woorden: de taken worden grotendeels bepaald door bewoners en organisaties zelf, wijkwerkers incluis. De gemeente biedt vervolgens de capaciteit om zaken mogelijk te maken. In geld, uren, plantekeningen, vergunningen of wat dan ook. Een recent evaluatierapport van initiatieven in de new towns wijst in dezelfde richting.


Beheer als basis en het rijk als maffiabaas

Je zou kunnen zeggen dat wijkaanpak geen project dient te zijn, maar onderdeel van regulier beheer. Uitgaande van zo'n visie wordt burgerparticipatie niet institutioneel georkestreerd, maar worden spontaan groeiende, constructieve initiatieven serieus genomen. Participatie is dan geen managementvraagstuk, maar een aandachtopgave. Kaders vormen zich naar de praktijk en niet andersom. Beheer als basis impliceert een gestage ontwikkeling zonder haast, maar met aandacht. En uiteraard niet alleen voor wijken waar al problemen zijn, maar voor alle wijken. Grote ambities en extra rijksgelden zijn zo bezien ongewenst, omdat dat wetmatigheden in gang zet die haaks staan op deze waarden: zij genereren rijke projectorganisaties die bestaande structuren rechts inhalen, met projectwethouders die streven naar iconische resultaten. Gelukkig lijken de bestuurders van new towns daar ook niet naar te streven. Ze zouden al blij zijn met wat aanpassingen in het gemeentefonds die recht doen aan de veranderde posities van hun gemeenten. Met een rijksoverheid die functioneert als een maffiabaas: uiteindelijk bepalend, maar nauwelijks zichtbaar en op afstand.
Maar zijn de aanbevelingen vanuit de wijkaanpak wel zomaar over te planten op new towns? Waarin verschillen zij van elkaar?


Vogelaarwijken en new towns: de verschillen

In new towns staan gemiddeld genomen veel meer koopwoningen. Waar de wijkaanpakkers zich in door corporaties gedomineerde Vogelaarwijken geheel of gedeeltelijk lieten verleiden tot grootschalige, institutionele top down-benaderingen, is dat in wijken met lappendekens van eigenaar-bewoners lastiger voor elkaar te krijgen. Waar burgerparticipatie eerder een morele keuze was, wordt het met zo'n grote hoeveelheid (probleem)eigenaren de enige weg. De aanbevelingen die de visitatiecommissie al deed, zijn dus des te meer van toepassing op een aanpak van new towns. Een ander verschil is dat Vogelaarwijken vaak onderdeel uitmaken van oude steden: Nieuw West in Amsterdam, Overdie in Alkmaar, Hatert in Nijmegen, enzovoorts. New towns staan op zichzelf. Dat kan problematischer zijn, omdat ze niet kunnen meeliften op het goede imago van de stad als geheel, en ook minder profiteren van de ruimtelijk-economische uitstralingseffecten daarvan. Niet voor niets noemen bestuurders van new towns het twijfelachtige imago een belangrijke belemmering voor de verdere ontwikkeling van hun steden. Zij vinden dat vaak onterecht, maar imago's komen niet uit de hemel vallen en zijn maar beperkt maakbaar. Dat brengt me bij het laatste punt.


Hoe fundamenteel zijn de mankementen?

De new towns hebben enkele problemen die zich laten samenvatten met 'halfheid'. Vanuit bloemkoolwijken in Julianadorp (een klein soort new town bij Den Helder) komen opvallend veel aanvragen voor buurtbemiddeling. Al die burenruzies, het verbaast de wijkconciërge van Julianadorp niets. Hij loopt er al bijna twintig jaar rond en vindt het stedenbouwkundig vaak erg ongelukkig. Mensen zijn er komen wonen met een suburbaan verwachtingspatroon (groen, ruimte, privacy, auto voor de deur), maar de realiteit bleek daarvoor toch te urbaan. Te dicht op elkaar, te veel buren, te krap voor al die auto's. Dat wrijft, mensen keren zich van elkaar af. De wijkconciërge geeft zelfbeheerprojecten meestal niet langer dan drie jaar. Of een verstandige aanpak van onderop de new towns een zonnige toekomst kan verschaffen, blijft dus de vraag. Urbaniste Jane Jacobs betoogde al in 1961 dat wijken die het grijze midden houden tussen echte stedelijkheid en dorpse suburbaniteit het slechtste van twee werelden in zich dragen. De geboorte van bijbehorende fundamentele problemen is in dit soort wijken volgens Jacobs dan ook slechts een kwestie van tijd. Laten we voor de vele honderdduizenden bewoners van de new towns hopen dat Jacobs het ditmaal niet helemaal bij het rechte eind had en bewoners er laten zien dat zij wel degelijk tot revitalisatie in staat zijn.




De echte stad: ongekend populair

(27 mei 2014)


Er was eens een stel van rond de dertig jaar oud. Hij heette Hans en zij heette Guusje. Samen hadden ze een kind van twee jaar. Zij wilden verhuizen uit hun krappe tweekamerflat in een jaren vijftig-wijk, op de breuklijn tussen de echte stad en de tuinstad. Linksaf de straat uit waren ze met vijf minuten fietsen in het centrum, rechtsaf de straat uit reden ze al snel de bloemkoolwijken in, met daarachter een Vinexwijk. Hans en Guusje fietsten al jaren vooral linksaf. Ze waren lang in hun flatje blijven wonen omdat de ligging bij de gezellige centrale stad hen beviel. En de huur was laag. Op de arbeidsmarkt deden Hans en Guusje hun best, maar ze waren kwetsbaar en zochten dus een middelgrote goedkope koopwoning. Een tuin zou leuk zijn, maar aangezien ze die zoals de meesten van hun vrienden onderhoudsvrij wilden, zou een dakterras ook kunnen volstaan.

Op hun rondes door de stad had het stel vaak een heimelijke voorkeur voor wijken in en rond de centrale stad: gezellige rommelige woonbuurtjes, mooie jaren dertig-wijken, en ook die nieuwe appartementen langs het water zagen er verleidelijk uit. Maar ze hadden Funda er niet voor nodig om te weten dat linksaf financieel onhaalbare opties zouden liggen. Een grotere woning met hun portemonnee betekende rechtsaf de straat uit. Hans en Guusje zochten en vonden daar uiteindelijk iets geschikts: een eengezinswoning met kleine tuin aan de buitenrand van de bloemkoolwijk. Een wijk met veel woning voor je geld. En ons soort mensen om ons heen, dachten ze, in plaats van die opgeblazen carrièretypes in de stad. Voorkeuren buigen zich naar de realiteit om het leven aanvaardbaar te houden.

Hun eerste koopwoning! Wat waren Hans en Guusje trots. Weliswaar in een minder populaire, saaie wijk, maar nu wel met hun woning. In de euforie waren ze hun aanvankelijke heimelijke voorkeuren al lang weer vergeten. Ze zetten met eenvoudige middelen hun woning naar hun hand, betegelden hun tuintje. Aanvankelijk dachten ze nog veel in de centrale stad te komen, want met de auto of de bus was dat nog geen twintig minuten, maar al snel bleek dat naburige wijkwinkelcentrum met al die gratis parkeerplaatsen wel zo handig. Ze werden heuse suburbians.

Toen, op een dag, kwam er een enquêteur aan de deur. Een groot woningmarktonderzoek. Daar hadden ze wel even tijd voor. "Bent u tevreden met uw huidige woonomgeving?" wilde de enquêteur weten. Ja, waarom niet? Ondanks hun krappe beurs waren Hans en Guusje trots op wat ze hadden bereikt. Ze wilden optimistisch zijn, en ze waren het ook echt. De buren leken leuke mensen, de speeltuin was vlakbij. Ja, natuurlijk waren ze tevreden. Heel tevreden! De enquêteur vulde alles accuraat in. In de onderzoeksuitslagen kwam het stel, evenals vele andere bevraagden in hun wijk, terecht in de categorie 'zeer tevreden met de wijk'. Beleidsmakers concludeerden dat de hoge suburbane tevredenheid een verdere uitbreiding van suburbia logisch maakte. "Onderzoeken tonen aan: de woonconsument voelt zich er prettig bij. Je kunt ze de stad niet opdringen," stelden zij. En suburbia werd het. De velen die er nadien neerstreken, leefden er nog lang, onduurzaam en minder gelukkig dan ze hadden kunnen zijn.



Bovenstaand sprookje is hypothetisch, maar niet willekeurig. Alleen al in mijn eigen omgeving ken ik verschillende mensen in een vergelijkbare situatie: een voorkeur (of in elk geval geen afkeur) voor stadswonen, een praktijk van suburbaan wonen, een gedachteloze verzoening met dat laatste. Dat geldt steeds vaker ook voor ouderen. En niet te vergeten: voor bedrijven en voorzieningen.


Marktverstoring

Wie dit voorbeeld overdrachtelijk interpreteert, bedenkt twee dingen. Ten eerste de beperkingen van veel woonwensenonderzoeken. Zij pretenderen eenduidige waarheden bloot te leggen, maar dringen vaak niet door tot psychologische dubbele bodems. En ten tweede dat de behoefte aan suburbaan wonen wordt overschat en de behoefte aan urbaan wonen wordt onderschat. Want de hogere vierkantemeterprijzen in centrale steden maken dat lekvraag zich slechts in één richting manifesteert: de stad uit. Mensen met een expliciete voorkeur voor wonen in een bloemkoolwijk kijken wel link uit om in de duurdere centrale stad te gaan zoeken. Kortom: niemand wordt financieel gedwongen om urbaan te wonen, maar velen worden wel financieel gedwongen om suburbaan te wonen.

Hoge woningprijzen in diverse, centrale steden zijn geen natuurwet. Een baksteen is in Amsterdam-centrum niet duurder dan in Purmerend. De grond ook niet, want die heeft de natuur gratis voor ons neergelegd. Prijsverschillen zijn dus een reflectie van vraag-aanbodverhoudingen en daarmee een betere indicator voor ruimtelijke wensen dan de meeste woonwensenonderzoeken. In andere markten gaan correcties gemakkelijker: neemt de vraag naar een bepaalde kleur auto toe, dan schroeven ze in de fabriek gewoon de produktie op. Met diverse, urbane woonmilieus ligt dat een stuk ingewikkelder. Daarom kiezen de meeste bouwkranen de weg van de minste weerstand en gaan door met hun marktverstorende en onduurzame werk in suburbia. Zij vergroten het aanbod waar al meer dan genoeg van is en maken van centrale steden budgettaire gated communities.


Duurzame stad

Het corrigeren van deze marktverstoring is moeilijk, maar mogelijk via fijnmazige, smaakvolle en diverse verdichting van de centrale steden en vooral hun direkt omliggende suburbane gebieden. Vanuit duurzaamheidsperspectief is dit van groot belang om drie redenen. Ten eerste leren wij van de ecologie dat diverse omgevingen zichzelf beter in stand houden dan monoculturen. Ten tweede scoort stedelijk wonen beduidend beter op duurzaamheidsindicatoren als gasverbruik per woning en aantal verplaatsingskilometers te voet of per fiets.

De derde reden gaat ver voorbij meetbare normen. Een vergroting van het stedelijk aanbod geeft meer mensen de mogelijkheid om te wonen en te werken op plekken waar ze in hun hart het liefst zijn. En als mensen hun plek mooi, gezellig en romantisch vinden, neemt hun aandacht voor beheer en onderhoud ervan toe. In veel suburbane wijken speelt gebruikswaarde een grotere rol dan de esthetische of de gevoelswaarde. Dergelijke wijken verworden dan ook eerder tot achteloze gebruiksvoorwerpen, tot instrumenten ter facilitering van het gemak. Wijken waar materiële en immateriële burgerinvesteringen beperkt blijven tot achter de voordeur. Gibran schreef: "Gemakzucht doodt de passie en loopt glimlachend mee in de begrafenisstoet." Romantische, inspirerende plekken daarentegen brengen een streven op gang naar een langdurige bestendiging van die schoonheid. Dit is niets anders dan de essentie van duurzaamheid. Laten wij daarom de werkelijk geliefde plekken, die veel vaker urbaan dan suburbaan zijn, tot voorbeeld nemen bij de toekomstige vormgeving van onze steden. Dat is de beste garantie dat duurzaamheid een onderdeel wordt van onszelf.




Suburbia en het juk van de parkeernorm

(13 oktober 2013)


Terwijl onze vooroorlogse steden bloeien als nooit tevoren, dalen suburbane tuinsteden als Lelystad, Zoetermeer of Nijmegen-Dukenburg af naar zorgwekkende posities op de woningmarkt. Velen zoeken de verklaring voor de lage waardering van tuinsteden in het modernisme: blokkendoosarchitectuur, een te seriematige stedenbouw. Ook het gebrek aan cultuur en historisch karakter wordt regelmatig genoemd. Ongetwijfeld relevante punten, maar zij missen de misschien wel belangrijkste oorzaak: de massale oriëntatie op de auto. Want al die tuinsteden bieden een ruimte aan de auto waar men in de centrale steden alleen maar van kan dromen. Dat lijkt een kwaliteit, maar wie kritisch kijkt, weet beter.


Auto's erin, mensen eruit

Overal streeft men ernaar, ook in de tuinsteden: gezellige sferen, wandelaars en fietsers op straat, "bruisende plinten die tegen de gevels klotsen". En juist die eigenschappen verdwijnen naarmate de auto's verschijnen. Rijdend, maar vooral al die uren dat ze stilstaan. Dat kost enorme parkeeroppervlakken, terwijl voor gezellige beslotenheid verhoudingsgewijs smalle straten nodig zijn. Massaal parkeren maakt fijnmazige functiemenging onmogelijk. Publiekstrekkers als winkelcentra, restaurants en theaters zijn in tuinsteden omringd door parkeerterreinen en expeditiestraten, woonwijken ervandaan drukkend. In die woonwijken verlagen de vele parkeerplaatsen de bevolkingsdichtheid flink. De auto erin, de mensen eruit. Met een wannabee-stad als resultaat: gerieflijk wonen, maar in een kille stad. Want parkeerplaatsen bruisen niet, ook niet met toparchitectuur ernaast. Er bestaan vrijwel geen aantrekkelijke gebieden die worden gedomineerd door automobiliteit. Soms worden de effecten van de auto onderdrukt met ondergrondse parkeeroplossingen. Maar die zijn peperduur, lelijk, sociaal onprettig en lokken de wijkbewoner nog steeds de auto in, in plaats van de straat op.


De paradox

Dit alles klinkt als een aanklacht, maar eigenlijk valt niemand iets te verwijten. De markt en de rekenkundigen van het CROW dicteren parkeernormen op volkomen logische gronden. Geen ontwikkelaar durft te investeren in bouwprojecten waar de klant z'n auto niet kwijt kan. En een gemeente die willens en wetens een wijk creëert waar parkeerchaos dreigt te ontstaan, krijgt het nog zwaar bij de rechter. Een voetgangersgeoriënteerde nieuwe stad is derhalve een naïeve droom voor romantici. Maar deze romantici kunnen hoop putten uit een paradox. Bereikbaarheid wordt door economen en ondernemers cruciaal geacht voor economisch succes. Dat de gebieden die per auto het slechtst bereikbaar zijn - de vooroorlogse steden - de laatste tijd het meest succesvol zijn en de hoogste grondprijzen genereren, is daarom een paradox van formaat en staat haaks op de logica van suburbia. Ogenschijnlijk. Want deze paradox legt de onderliggende en hoopgevende waarheid op fraaie wijze bloot: de kracht van de stad is sterker dan de kracht van de auto. Wat kunnen we daarvan leren in de polder?


De Pijp in de polder

Het lijkt logisch om succesvolle stadsconcepten te kopiëren naar nieuwe uitleggebieden. Laten we zeggen: een Pijp-achtige wijk aan de rand van Purmerend. Een verleidelijke gedachte, maar het zou niet werken. Want voor de koper van een woning in de Pijp is het gemak en het plezier van Amsterdam een cruciale part of the deal. In een nieuwe weiland-Pijp moet de (tweede) auto voor de deur worden geofferd zonder dat daar een omringende stad tegenover staat. Hooguit de hoop dat, als alles meezit, die stad er over een jaar of twintig wel is. Geen zinnig mens zou de gok nemen. En dus is het nergens ontwikkeld. Het is allemaal zo logisch, maar daarom niet minder jammer. Een prisoners dilemma. Parkeernormen zijn determinerend geworden bij stadsontwikkeling. In het dichtbebouwde Amsterdam worden de wachtlijsten voor een parkeervergunning slechts geaccepteerd omdat de stad er eerder was dan de auto. Als Amsterdam-Centrum nu als nieuw ontwerp op tafel zou liggen, zou het vanwege volstrekt ontoereikende parkeernormen zijn weggehoond en vervangen door een 'realistischer' ontwerp. Het zou een zoveelste suburbia zijn geworden, de parkeerplaatsen hooguit gelardeerd met wat leuke klokgevels. De auto of de echte stad: wie het eerst komt, die het eerst maalt.


Gouden stadsranden

We zitten gevangen in ons eigengeweven net. Parkeernormen dwingen ons te bouwen wat uiteindelijk niet gewild blijkt te zijn. Steeds meer mensen trachten te vluchten naar de laatste eilanden die de parkeernormen hebben weerstaan: de oude steden. Zij hebben er veel voor over om er te mogen wonen - inclusief het opgeven van hun auto. En juist dat biedt een mooi aanknopingspunt! Want er is één soort plek waar nieuwe hoogstedelijke ontwikkelingen wél realistisch zijn: langs de stadsranden. Daar, op de talrijke groenstroken, parkeerterreinen en andere gatenkaas langs de contouren van de vooroorlogse stad, zijn mensen bereid zich te vestigen zonder al hun auto's mee te nemen. Want op loopafstand lonkt de oude stad. Deze randen zijn goud waard; ze bieden de enige uitweg uit ons prisoners dilemma en kunnen als enige voorkomen dat de oude steden schaarse elitegemeenschappen worden. Door ze langs hun randen te laten aangroeien, kunnen echte steden langzaamaan weer de positie innemen die ze op grond van de huidige woningmarktverhoudingen toekomt. Maar dan moeten we ons wel ten volle bewust zijn van de strategische waarde van die randen. Afwerping van het juk van antistedelijke parkeernormen biedt juist daar gouden kansen, met echte dichtheid. Als we succesvolle steden succesvol willen dupliceren, dan moeten we het hele concept overnemen, inclusief het gebrek aan parkeerplaatsen. De markt is rijp voor de wederopstanding van de compromisloze stad. Steeds meer jongeren hebben liever een smartphone dan een rijbewijs. Het fietsgebruik in de westerse wereld neemt toe, er worden walkabilityscores ontwikkeld. Duurzaamheid is hot. Kortom: de 20e eeuw was voor de auto, maar de 21e wordt voor de stad. Met speciale aandacht voor haar randen.




De kunst van het kleine

(1 oktober 2013)


Stadsplanologische publicaties waren de laatste tijd in meerderheid variaties op het thema 'van onderop organiseren'. Geen wonder: de economie is vastgelopen, bouwplannen liggen stil, dus nu zoekt iedereen creatieve nieuwe verdienmodellen. Dat hoge professionele kringen zich nu bezighouden met 'van onderop organiseren' klinkt als een contradictio in terminis. De massa is immers een zwerm die van onderop haar eigen koers vaart. De neiging om de massa te 'plannen' legt de kern van het huidige ruimtelijke vraagstuk mooi bloot: professionals moeten niet proberen om 'van onderop' dezelfde ambities te koesteren als voorheen; zij moeten een nieuw soort planning aanvaarden.


Too big to fail

De economische hausse had iets van een piramidespel met alleen maar winnaars. Grootschaligheid loonde: hoe groter de zevenmijlslaarzen, hoe hoger de winsten. Op de gok ontwikkelen was geen probleem, alles verkocht toch wel. Gemeenten deden lustig mee. Soms ging het mis, zoals in Den Helder, waar jaren terug een groot bejaardenhuis werd neergezet voor publiek dat nooit zou komen, waarna de gemeenteambtenaren er maar hun werkplek van hebben gemaakt. Een slimme bijsturing en voer voor leuke grappen, maar meestal geldt: grootschaligheid doet heel veel als het goed gaat, maar legt alles plat als het misgaat. Het too big to fail geldt net zo goed voor stadsontwikkeling als voor banken. Hoe nu verder? Allereerst met een woord van blijdschap over de crisis. Want perverse verdienmodellen hebben vaak ook perverse gebouwde omgevingen opgeleverd: megalomanie, anonieme ontwikkelaarslogica, gemakzuchtige, efficiënte monoculturen van gebieden en actoren. En dat tegen een te hoge prijs. Er waren gewoonweg te veel verdienmodellen. Het huidige probleem is niet dat er te weinig kapitaal is, maar dat de opgeblazen vraag terug is naar reële proporties. De afgelopen jaren zijn tienduizenden woningen minder gebouwd dan beoogd, en toch staan er meer woningen te koop dan tevoren, zijn de prijzen gedaald en slaapt op de gebruikelijke figuren na niemand op straat. Dat geeft te denken. Hoe nodig was die efficiënte bouwmachine de laatste jaren nu eigenlijk?


De stad als honingraat

De implosie van de financiële piramide geeft ons de kans om de verschrompelde monoculturen in te ruilen tegen iets dat niet efficiënt, maar effectief is. De Amsterdamse urbanist Zef Hemel heeft het in dit verband over 'Wikicity': een stad die door de massa zelf wordt ontwikkeld. Je zou het ook slow urbanism kunnen noemen. Hierbij staan overheden en ontwikkelaars niet langer haastig aan het grote roer, maar beperken zij zich tot de uitgifte van dusdanig kleine stedenbouwkundige cellen, dat het voor de massa interessant wordt om zelf te ontwikkelen. Zo'n ontwikkelingsproces lijkt op de veelvoorkomende uitgifte van kavels voor vrijstaande woningen, maar kan ook stedelijker worden ingezet. Denk daarbij aan uitgifte aan CPO-verenigingen of neem een recent artikel uit Ruimtevolk in gedachte over het New Yorkse Brooklyn, waar de overheid particuliere verhuurders succesvol stimuleert om kleinschalig betaalbare huur te ontwikkelen. Als grote jongens als BAM of Amvest een Vinexwijk ontwikkelen, wordt een particuliere geïnteresseerde niet eens toegelaten op het hoofdkantoor. Men kan daar alleen overweg met virtueel publiek. Ontwikkelingsbrokjes die klein genoeg zijn, maken onafhankelijk van grote ontwikkelaars en dito geldstromen. En zorgen ook nog eens voor de pluriforme stad die bij velen eigenlijk zo geliefd is. Eigenlijk heeft zo'n proces iets van de ontwikkeling van sloppenwijken in de Derde Wereld: spontaan, als een honingraat, met een volgende overheid. Alleen doen we het hier met riolering.


Geen haast, maar verhalen

Laten wij ophouden met het serieus nemen van bestuurders, bouwers en ontwikkelaars die het telkens hebben over 'grote bouwopgaves' of het 'vlottrekken van de vastgelopen woningmarkt'. De aloude term 'volkshuisvesting' is in dit verband veelzeggend: massahuisvesting als institutionele opgave, met ernstige gezichten. Maar het kan ongedwongener als het probleemeigenaarschap wordt omgedraaid: de opgave is aan de massa, de overheid biedt op geduldige en vertrouwenwekkende wijze slechts de mogelijkheden. Als de aangeboden hapklare ruimtelijke brokjes niet worden opgepakt, dan is de maatschappelijke druk om ze te ontwikkelen blijkbaar niet groot genoeg. Natuurlijk: om de geschetste ontwikkeling optimaal te stimuleren, zou een herziening van verscheidene wetten en regels welkom zijn. Perverse prikkels moeten worden omgedraaid. Maar als we onze energie richten op het wijzigen van de koers van Haagse en Brusselse supertankers, dan zal de beweging smoren in goedbedoelde beleidsnota's. Niet doen dus. Breng daarentegen verhalen op gang om de massa te enthousiasmeren. Narratieve planning kan ruimtelijke opgaven leuker maken en dichter bij de mens brengen. Haagse regels veranderen bovendien gemakkelijker bij een beweeglijke onderkant die toont wat voor leuks er mogelijk is en wat er nog meer in het vat zit als de systeemwereld eens wat meer zou meewerken.


Pluriforme stedenbouw

Stedenbouwkundig betekent dit alles nogal wat: afscheid van masterplannen en van architectonische eenheidsidealen. De massa maakt vaker haar eigen keuzes. De Amsterdamse grachtengordel is architectonisch gezien ook een warboel aan bouwhoogtes en stijlen, maar staat desalniettemin op de Werelderfgoedlijst. In navolging daarvan pasten ontwikkelaars de laatste jaren bij grootschalige bouwprojecten al steeds vaker speelse architectonische variaties per woning toe. Daarmee werd een pluriform eigenaarschap gesuggereerd, maar het was nog steeds één ruimtelijke formule met één aanbieder, de rest degraderend tot volgzame consumenten. Nu wordt het tijd om echte pluriformiteit op gang te brengen. Het stedenbouwkundige deel van de opgave bestaat vooral uit het loslaten van eindbeelden en zodanige ontwikkelingscontouren te schetsen dat celontwikkeling op vrijwel elk moment probleemloos kan stoppen. De cellen worden verder overgelaten aan een veelheid van partijen, tot individuele burgers aan toe. In de woorden van Michael Moore: "Democracy is not a spectator sport, but a participatory event. If we don't participate in it, it ceases tot be a democracy." Participatie gaat om de brede kracht van de massa, ook in het ruimtelijk domein.

Het zal de lezer duidelijk zijn dat het bovenstaande in de huidige verhoudingen wat utopisch klinkt en dus deels overdrachtelijk moet worden opgevat. Het is vooral een pleidooi voor een andere houding van alle partijen in het stadsontwikkelingsproces. Zo'n andere houding zal steden gezelliger maken, met sterkere wijken. Waar het economisch kapitaal krimpt, kan bij de juiste houding het sociale kapitaal groeien.Never waste a good crisis.




Een Jacobs-injectie voor (wijk)ambtenaren

(12 juni 2013


Ik ben verslingerd geraakt aan een onbereikbare vrouw. Het betreft de in 2006 overleden Jane Jacobs. Zij heeft verschillende boeken geschreven, waarvan de bekendste 'Death and life of great American cities' (1961) is. Dit beroemde standaardwerk treedt ver buiten de oevers van de stadsplanologie alleen. Voor mijzelf heeft het een prachtige brug geslagen tussen planologie en wijkgericht werken. Het is zo'n boek dat veel huidig beleidsproza overbodig maakt. Maar de tragiek van standaardwerken is vaak dat ze worden gekend door velen, maar gelezen door weinigen. Hoewel elke samenvatting dit lijvige en rijke werk tekort doet, geef ik hier daarom in mijn eigen bescheiden vertaling een Jacobs-les voor wijkambtenaren in tien korte quotes:

1. De gebouwde omgeving heeft een grote invloed op de wijze waarop mensen in een wijk met elkaar omgaan. In dichtbebouwde, diverse stadswijken ontwikkelen sociale verbanden zich beter dan in groene, monofunctionele buitenwijken.
2. Een stad of wijk is een probleem van georganiseerde complexiteit, waarvoor een benadering vanuit losse sectoren of variabelen niet afdoende is.
3. Wijkambtenaren kunnen belangrijke overheidsinstrumenten zijn voor de creatie en instandhouding van optimaal functionerende, diverse wijken.
4. Sociale cohesie bepaalt sociale veiligheid. Opbouw en instandhouding ervan kan niet worden geïnstitutionaliseerd.
5. Een wijk moet continu aanpasbaar zijn aan de wensen en grillen van een dynamische bevolking. Blauwdrukelementen zoals grote monofunctionele architectonische iconen zijn daarom meestal ongewenst.
6. Voor een optimaal functionerende wijk zijn veel face-to-face-contacten in de openbare ruimte nodig. Vooral voetgangersverkeer dus, en weinig auto's.
7. Veel groen in een wijk lijkt een kwaliteit, maar is het meestal niet. Stadsgroen gedijt sociaal gezien bij schaarste. Anders ontaardt het in desolaat, argeloos en onveilig groen.
8. Achterstandsbuurten regenereer je niet door ze grootschalig te slopen, maar door hoopgevende processen van onderop een kans te geven en te stimuleren.
9. Professionele experts moeten een wijk niet naar hun hand willen zetten, maar meer een rol nemen als slimme katalysator van wijkprocessen, bottom-up-gericht, en met de cultuur mee.
10. Een stadswijk kan en moet in veel opzichten worden beschouwd als een ecosysteem: zelfdragend, complex, en fraai vanuit zichzelf.

Aldus de meesteres. Middelmatigen der aarde, ook degenen die zich daarboven verheven wanen - juist zij! -: onderbreek uw ijdele vergader en geschrijf op uw stadhuizen, en neem alle rijke woorden van Jane Jacobs aandachtig tot u alvorens u verder gaat. En waarschijnlijk zult u dan opnieuw moeten beginnen.




Het eigen gelijk over de stad

(22 april 2013)


Het getuigt van intellectuele luiheid om een boek te lezen dat slechts een bevestiging belooft van de eigen gedachten. Om die reden had ik Jos Gadets 'Terug naar de stad' niet moeten lezen. Hij is net zo'n Jane Jacobs-aanhanger als ik en beschrijft op persoonlijke wijze realiteit en noodzaak van de 'uitrol' van het Amsterdamse centrum richting (en zelfs over) de ring A10. Alsof ik het zelf had bedacht. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: ik heb het boek toch gelezen, met toch ook enkele kritische observaties als resultaat.


Het meest voorkomende woord in het boek is waarschijnlijk 'urban fabric'. Daarmee doelt Gadet op het gebied van de gesloten bouwblokken, hoewel hij dit begrip zelf vreemd genoeg nauwelijks noemt. Gesloten bouwblokken in hoge dichtheid, met flexibele plinten langs straten waar auto's niet domineren, dat zijn de stedenbouwkundige generatoren voor de levendigheid en diversiteit waar Gadet zo van houdt. Dit potentierijke gebied houdt op waar de tuinsteden beginnen: zo ongeveer langs de ring A10. Aan de hand van vele persoonlijke observaties en anekdotes, gelardeerd met wetenschappelijk materiaal, toont hij de kracht van de echte stad en de zwakte van de tuinstad.


Waterscheidingen

Gadet haalt een exemplarisch punt in de Jan Evertsenstraat aan als overgang van 'zijn' urban fabric naar de westelijke tuinsteden. De blik naar het westen verschilt levensgroot van die naar het oosten. Deze inderdaad vaak plotselinge overgangen van stad naar tuinstad hebben mij ook altijd gefascineerd. Omdat ik vroeger regelmatig met tram 2 reisde, was de Heemstedestraat bij de Westlandgracht altijd mijn "180-gradenplek", zoals Gadet het noemt. Naar de ene kant keek ik richting het fraaie, besloten Hoofddorpplein, precies de andere kant op rolde de onherbergzaamheid zich voor mij uit. Desolaat groen met een gebrek aan schaarste. Die waterscheidingen tussen de hoopvolle en de hopeloze stad zijn in veel Westerse steden te vinden bij de bouwfases van rond de Eerste Wereldoorlog. Daarna begon de tuinstadideologie aan haar indrukwekkende en vrijwel onafgebroken zegetocht.


Slopershamer

Gadet suggereert in 'Terug naar de Stad' zo nu dan een gedeeltelijke sloop van die vermaledijde tuinsteden. Begrijpelijk, maar niemand minder dan Jane Jacobs verkondigde dat het intact laten van achterbuurten een belangrijke sleutel was tot rehabilitatie ervan. Juist zij trok ten strijde tegen sloopplannen van gemeentelijke overheden die sociale netwerken onherstelbaar uiteenrukten. Hoe ironisch dat een van haar grootste aanhangers nu ook de slopershamer voor volkswijken propageert! Misschien is een behoedzame aanpak van de westelijke tuinsteden daarom geloofwaardiger en bovendien meer in lijn met recente denkwijzen als 'organische wijkontwikkeling'.


Gentrification

Een van de interessantste hoofdstukken in de Death and Life van Jane Jacobs behandelt de "selfdestruction of diversity". In populaire grote steden als Amsterdam zien we nu inderdaad het spook van de gentrification opduiken. Als dat zo doorgaat, dan worden de steden ontoegankelijk voor de gewone man. Weg diversiteit. Gadet is wel erg optimistisch als hij stelt dat het aanhouden van sociale huurwoningen binnen de ring A10 dit zorgpunt kan wegnemen. Want schaarste moet altijd worden betaald. Is het niet in geld, dan in tijd. Wat is er toegankelijk aan woningen waarvoor je twintig jaar moet wachten voor je erin mag? Wie eenmaal zo'n goedkope parel heeft bemachtigd, staat 'm nooit meer af. Kortom: de enige echte remedie tegen selfdestruction is het aanbod vergroten waar zoveel vraag naar is, waardoor de prijzen kunnen zakken: de uitrol van de urban fabric dus. Jos Gadet slaat toch weer de spijker op de kop.


Economie

Gadet onderstreept vaak het economische belang van de diversiteit van de urban fabric. Ik zou willen dat het anders was, maar empirisch bewijs daarvoor kan ik ook in zijn boek maar moeilijk vinden. Tegenvoorbeelden zijn er te over: steden als Houston, Los Angeles en Brisbane zijn zeer welvarend en sterker groeiend dan Amsterdam, terwijl die de belichaming zijn van anti-stedelijkheid. Of neem Eindhoven: de slimste stad ter wereld, maar op modernistische leest geschoeid. Deze steden lijken het levende bewijs voor Gadets nachtmerrie: er is helemaal geen urban fabric nodig om economisch succesvol te zijn. Maar we kunnen wat dit punt betreft nog dichter bij huis blijven. Het valt namelijk op dat Gadet Buitenveldert in zijn boek vrijwel volledig negeert. Boze tongen zouden kunnen beweren dat hem dat goed uitkomt. Het succesvolle Buitenveldert bewijst volgens verschillende tuinstad-adepten immers dat tuinsteden niet per definitie uitgroeien tot poelen van verderf en dat Gadet dus een beetje overdrijft. Misschien doen liefhebbers van de diverse stad er daarom goed aan om economische argumenten te laten voor wat ze zijn. Die zijn ook eigenlijk niet nodig. De urban fabric is waardevol, omdat zoveel mensen zich er zo goed bij voelen. Omdat, zoals Gadet stelt, Amsterdam binnen de ring de duurste - dus meest gewilde - woningmarkt per vierkante meter van Nederland is - en dat terwijl het per auto het slechtst bereikbaar is. Voorts omdat miljoenen toeristen als bijen op de honing van urban fabrics afkomen, en Almere en Zoetermeer reserveren voor verkiezingen voor 'lelijkste plek van Nederland'. Aangezien toeristen zich in hun keuzegedrag bij uitstek laten leiden door gevoel voor aantrekkelijkheid, is de 'toeristenindex' vaak een waardevolle maat voor kwaliteit en gewildheid.


Neergang en opkomst

Helaas heeft Jos Gadet een van mijn meest prangende vragen grotendeels onbeantwoord gelaten: waarom worden steden nu pas weer zo gewild? Waarom waren ze rond 1970 minder populair? Gadet noemt slechts de economische teruggang van toen. Maar we hebben nu ook economische teruggang. Ik ben zoekende naar andere oorzaken, met name op het terrein van tijdgeest, cultuur, de waardering voor automobiliteit, of het verlangen naar oorspronkelijkheid. Ik daag Gadet en anderen uit om daar ook naar op zoek te gaan. Dit alles laat onverlet dat Jos Gadet een knap en, mede vanwege de persoonlijke stijl, onderhoudend boek heeft geschreven. Het is soms heerlijk om je bij het lezen schaamteloos te wentelen in je eigen gelijk. Net zoals ik ervan geniet om in urban fabrics rond te lopen, genoot ik bij het lezen van de pleitbezorger ervan.




Hemel in de kerk

(13 april 2013)


Zef Hemel sprak op het LPB-congres in 2011, in Den Helder. Nu is hij bijzonder hoogleraar grootstedelijke vraagstukken. Dat kan geen toeval zijn. Wat een goede leerschool is het LPB toch! Op 13 september 2012 hield hij zijn inaugurele rede in de Amsterdamse Oude Lutherse Kerk en ik was erbij.


Als je Zef Hemel z'n gang laat gaan, dan word je overdonderd met ingewikkelde verhalen en denklijnen, die zich echter verrassend gemakkelijk laten samenvatten: open planning. Hij had een vol uur nodig om tot die conclusie te komen. Voor wie zijn weblog de afgelopen tijd heeft gevolgd, had hij niet veel nieuws in petto. Zijn blog was als het ware de voorbereiding op de apotheose van zijn oratie. En toch was zijn verhaal weer nuttig. Want de ingewikkelde onderbouwing moet een normaal mens meer dan één keer tot zich nemen voor het enigszins gestructureerd blijft hangen in het hoofd.

Een wetenschappelijk betoog vereist de aanroeping van vele namen. En dat deed hij: Manuel Castells, Henry Thoreau, Richard Florida, Ed Glaeser, Kevin Kelly, Jane Jacobs, James Surowiecki, Colin Beavan en anderen. Hemel dook uitgebreid de geschiedenis in en legde verbanden tussen de verstedelijkingsgolf van de 19e eeuw en die van nu. In het westen is de verstedelijking aan z'n laatste, definitieve fase bezig. Welke samenleving levert dat op en hoe moeten we ermee omgaan? Zef Hemel zet in op open planning.

Open planning is nodig om de innovatieve kracht van steden optimaal te benutten. Voor Hemel vormt het dè route naar groei, vrijheid en duurzaamheid tegelijkertijd. Nieuwe, open planning is nodig om drie buitengewoon positieve krachten de ruimte te geven: (1) deling van kennis en intelligentie, (2) verhalen en (3) dialoog. Internet speelt in dit alles een steeds crucialere rol. Hij noemde ook drie tegenwerpingen, die hij met bijna dezelfde mondbeweging weer van tafel veegde:

1. alleen de wijkelite participeert. Dus: breng begrijpelijke verhalen, vanuit de leefwereld van de mensen.
2. tegenstand krijgt een te open podium. Dus: openheid vanaf de eerste letter, waardoor tegenstand verschrompelt tot slechts een van de vele meningen.
3. mensen hebben geen tijd en geen zin in participatie. Maar: onderschat niet het hart dat mensen hebben voor hun stad.

Professionele planners onderbenutten de verhalen van gewone mensen. Zij selecteren, in plaats van aggregeren. Maar internet zorgt ervoor dat professionals steeds vaker het nakijken hebben. Aggregatie gaat via internet. Bestuurders en ambtenaren zullen naar buiten moeten om effectief te blijven. En daar wordt het steeds interessanter: in Amsterdam komen veelsoortige platforms op als paddenstoelen. Ja, het onderzoeksgebied van Zef Hemel is Amsterdam, maar af en toe kijkt hij ook opzij, in het besef dat veel stedelijke vraagstukken universeel zijn. Zo steekt hij zijn enthousiasme voor de participatie bij de herbouw van het Enschedese Roombeek niet onder stoelen of banken.

Als Hemel het over de stad heeft, dan bedoelt hij de èchte stad. Daar ligt de toekomst. Want de suburbane woonmilieus hebben vooral files geproduceerd en zijn niet duurzaam. Ook is hij kritisch op campussen, of het nu universiteiten betreft, brainparks of wat dan ook. Campussen, zo stelt hij, zijn imitatiepogingen van de stad, maar minder volmaakt, want monofunctioneler. Waarom integreren wij ze dan niet in de stad zelf, met haar krachtiger aggregatievermogen?

Hoewel Zef Hemel de komende vijf jaar zijn uiterste best gaat doen om zijn visie wetenschappelijk te onderbouwen, blijft het toch vooral een geloof. De kerk is wat dat betreft een passende ambiance voor z'n oratie. Evenals met wijkgericht werken laat Hemels visie zich moeilijk vangen in harde effectmetingen, zoals de werking van een lamp. Daar hebben wijkambtenaren al jaren last van. Critici en tegenstanders zijn er genoeg. Maar hij predikt een krachtig en aansprekend geloof. Daar komt bij dat zijn onverschrokken vooruitgangsoptimisme aanstekelijk werkt. Je wilt gewoon dat hij gelijk heeft. Zelf zegt hij dat juist de wetenschap het domein van de twijfel is. Ik ben benieuwd of z'n open planningsdoctrine zo fier overeind zal blijven als dat hij aankondigt. We houden 'm de komende jaren in de gaten.


terug naar boven