Going solo en de stad

boekbespreking (13 juni 2016)


Nooit eerder in de geschiedenis heeft de mens zoveel alleen gewoond als nu in de westerse wereld. Dit heeft enorme consequenties voor onze sociale, fysieke en institutionele omgeving, en toch staat het zelden centraal in het maatschappelijke en ruimtelijke debat. De Amerikaan Eric Klinenberg heeft er in 2012 met 'Going Solo' een intrigerend boek over geschreven. Een bespreking.

In zijn boek vraagt Klinenberg zich uitgebreid af waarom we er in het westen vrijwillig voor kiezen om steeds massaler uit elkaar te groeien. Deze trend is nog niet algemeen geaccepteerd; talrijke stromingen bezingen nog de zegeningen van het partnerschap, terwijl alleenstaanden worden gezien als zoekend of mislukt. Velen wijzen ook op de gevaren van politieke atomisering, met al die op hun eigenbelang gerichte alleenstaanden. Maar voorstanders zeggen dat alleen wonen de ultieme vrije expressie is van elk uniek individu: "We follow the laws of our inner nature - and this is what freedom is."

De vele interviews met alleenstaanden - nooit getrouwd, gescheiden, verweduwd - roepen af en toe damesblad-achtige sferen op, maar de eeuwige dilemma's des levens worden er mooi in blootgelegd. Geen levensloop is zonder nadelen. De paradox van de vrijheid is dat elke vrije keuze tevens het rouwproces vormt van de vele keuzes die je daarmee afsluit. In de verwende moderne tijd zijn we daarom naarstig op zoek naar manieren om de voordelen van alleen en samen met elkaar te verenigen, vergelijkbaar met de eindeloze pogingen om lui en toch fit te zijn, of veel te eten met een slank lijf.

Urbane crisis
Heerlijk zijn Klinenbergs beschrijvingen uit vroeger tijden, van alleenwonende mannen die gevaar liepen op 'egoïsme en impulsieve excessen', en alleenwonende vrouwen op 'eenzaamheid, hysterie en depressiviteit'. Greenwich Village was in het Amerika van begin 20e eeuw een van de eerste wijken waar alleen wonen op grotere schaal zijn intrede deed en werd gecultiveerd. De fysieke opbouw van de wijk was er ideaal voor. De urbane crisis van de jaren '60 en '70 was een goede tijd voor een serieuzere groei van het aantal alleenstaanden. Massaal naar nieuwe buitenwijken trekkende gezinnen lieten een ruime voorraad kleine, goedkope appartementen in centrale steden achter voor hippies, homo's, gescheidenen, oude vrijsters of wat voor alleenstaanden dan ook. Maar gentrification vermindert het aantal betaalbare stedelijke opties voor alleenstaanden de laatste tijd flink, met uiteindelijk iedereen als verliezer: "These places so thoroughly segregate, that they impoverish the experience of those fortunate enough to inhabit them."

Klinenberg slaat hier spijkers met koppen: ook in Nederland worden nieuwbouwwijken te eenzijdig ontwikkeld met standaard gezinnen op het netvlies. Aantrekkelijke woonopties voor alleenstaanden zijn niet meegegroeid met de vraag, met opdrijvende prijzen tot gevolg, en eengezinswoningen in overvloed. "We have enough single family housing to last forever."

Klinenberg geeft in zijn boek zelf echter blijk van tegenovergestelde oogkleppen: hij interviewt vooral mensen uit New York, de San Francisco Bay Area en andere urbane pleisterplaatsen van de hardwerkende 'creative class', die middenin de carrière-ratrace helemaal geen prioritijd heeft voor eventuele gezinsleden. De alleenstaande onderlaag behandelt hij gelukkig ook, maar de tussenlaag nauwelijks. Jammer, want zij vormt misschien wel de grootste groep. Al die alleenstaande vorkheftruckchauffeurs, boekhouders en verpleegkundigen in de eindeloze, inspiratieloze suburbane vlakten van steden als Atlanta, Louisville of Oklahoma City: geen woord erover. Hoe zou het hen vergaan? Wat is het woonlot van de alleenstaande Joe Sixpack, tussen de penthouses en de gesubsidieerde zorgwoningen in?

Nieuwe realiteit
Klinenberg acht een morele stellingname over alleen wonen zinloos en betoogt overtuigend dat de westerse oorzaken van de enorme groei van het aantal alleenstaanden niet zomaar zullen verdwijnen: culturele individualisering, welvaartsgroei, sociale zekerheid, vrouwenemancipatie, de groei van steden, een hogere levensverwachting, internet en televisie. We kunnen 'going solo' dus maar beter accepteren als hedendaagse realiteit en onze instituties en fysieke omgeving zo inrichten dat alleenstaanden het beste gedijen.

Alleen leven is volgens steeds meer mensen de negatieve beeldvorming ontgroeid. Het is geen zielige fase tussen scheidingen, verweduwing en dood in, het is de beste manier van leven. Alleen wonen geeft ons juist de energie om de zegeningen van het zijn met anderen te waarderen. Bovendien: ook samenwonenden kunnen zich alleen voelen: "There is nothing more lonely than being with the wrong person." Jonge alleenstaanden zijn vaak allesbehalve geïsoleerd; zij vormen indrukwekkende netwerken, offline en online. Ze gaan vaak uit, vormen de culturele ruggengraat van de stad. Klinenberg interviewt verschillende bijna militante alleenstaanden: vrouwen vaak, publicisten. Op dezelfde momenten dat de radio reclames voor allerlei datingsites mijn oren inslingerde, las ik over oprichters van singleton-websites die het helemaal niet zeggen te doen om 'dating'. Nee, ze hebben een missie om de samenleving te bevrijden van het juk van het samen. Huwelijk is volgens alleenstaande-goeroe Helen Gurley Brown niet meer dan "insurance for the worst years of your life."

Togetherness
Hiermee raakt Brown een gevoelig punt: hoe doen alleenstaanden het als ze gebreken gaan vertonen? Hoe houden hun sociale netwerken het dan? Die blijken volgens Klinenberg lang niet altijd standvastig genoeg. Hij beschrijft uiterst succesvolle singles die bij ernstige ziekte verworden tot afhankelijken, met een ineengeschrompeld sociaal netwerk alsof het nooit heeft bestaan, wachtend op de dood. Maar oudere alleenstaanden aarzelen toch vaak bij het aangaan van beschutting gevende partnerschappen, want je loopt het risico dat de ander straks niet jou, maar jij de ander moet gaan verzorgen. En intrekken bij de kinderen vinden veel ouderen ook geen goed idee. De 'tiranny of independence', noemt Klinenberg dat. Ik zie hier een mooie parallel met het begrip 'togetherness' van Jane Jacobs: als mensen worden geconfronteerd met een teveel aan geforceerd sociaal contact, dan verkiezen de meesten liever helemaal geen contact. Om dezelfde reden zijn 'nursing homes' met verplichte gezamenlijke maaltijden en dergelijke weinig populair; bovendien zijn de betaalbare versies ervan niet best.

Klinenberg begrijpt dat alleenstaanden - ouderen én jongeren - woonvormen willen die veel lusten en weinig lasten van sociale contacten bieden. Hij zet in op compromissen tussen eenzaam suburbia en intramurale woonvormen met een overmaat aan togetherness. Anders gezegd: 'intimacy at a distance'. Of: liever iemand om mee uit te gaan dan iemand om bij thuis te komen. Wat woonvormen betreft toont hij zich opvallend enthousiast over voorbeelden uit Stockholm: appartementencomplexen met mooie mixen tussen individuele vrijheid en vrijwillige gezamenlijkheid, uiteraard in urbane omgevingen. Die omgevingen moeten de contramal zijn van het lege huis van de alleenstaande: levendige, beloopbare en veilige straten, met volop ontmoetingsmogelijkheden en een keur aan diverse voorzieningen. Kortom: echte stedelijkheid, met een buurtgevoel. Ja, Jane Jacobs zou Klinenberg een goedkeurend klopje op de schouder hebben gegeven.




Ambtenaar 2.0: lees eerst de bijsluiter!

boekbespreking (28 februari 2014)


De 'Ambtenaar 2.0' is populair. Velen vinden dat ambtenaren opener, innovatiever en ondernemender moeten worden. Zij moeten meer deel gaan uitmaken van de moderne (digitale) netwerksamenleving. Het zou de enige manier zijn om effectief te blijven in een samenleving waarin de overheid steeds minder centraal staat. Als wijkmanager ben ik in veel opzichten een Ambtenaar 2.0. Desalniettemin, en misschien wel juist daarom, heb ik mij kort geleden laten inspireren door een boek met een andere boodschap. De auteur, Jane Jacobs, heeft vooral naam gemaakt met haar wereldberoemde standaardwerk over stadsplanning (1961), maar het in de herfst van haar leven opgetekende Systems of Survival (1992) mag er beslist ook zijn. Het boek leest als een nuttige waarschuwing.

Twee moraalsystemen
In Systems of Survival onderscheidt Jacobs twee professionele moraalsystemen, of 'syndromes', zoals zij ze noemt: het commercial en het guardian syndrome. Het commercial syndrome omvat grofweg al het werk in de commerciële sector, het guardian syndrome is van toepassing op de overheid en een deel van de juridische wereld. Jacobs gaat ver terug in de tijd om de oorsprong van de syndromes te achterhalen. Als in het vroegere jagersbestaan een stam meer hulpbronnen nodig had, dan kon zij twee dingen doen: een naastgelegen gebied veroveren ('taking', bron van guardian), of met een naastgelegen stam handel drijven ('trading', bron van het commercial syndrome). Bij beide is in de loop der tijd een werkmoraal ingesleten, een drijvende en stabiliserende kracht, die uiteen kan worden gerafeld in deelwaarden. Typische deelwaarden in het commercial syndrome zijn: wees eerlijk en geweldloos, sluit vrijwillige overeenkomsten, concurreer, doe zaken met vreemden, neem initiatief, innoveer, wees efficiënt, promoot gemak en comfort, wees optimistisch en spaarzaam. Het guardian syndrome heeft volgens Jacobs met name een militaire oorsprong en kent heel andere waarden: eis het alleenrecht op, drijf geen handel, wees loyaal, toon moed en discipline, respecteer hiërarchie, wees opzichtig, gebruik luxe, toon kracht, waardeer traditie, waardeer cultuur en ontspanning, wees fatalistisch.

Nu wordt het belangrijk! Alle waarden binnen een syndrome hangen volgens Jacobs met elkaar samen. Het zijn coherente en fundamenteel van elkaar verschillende mindsets en geen losse waardenwinkels waaruit men kan kiezen wat men belieft. Als een of enkele waarden uit een syndrome verdwijnen of worden ingeruild tegen waarden uit het andere syndrome, dan kunnen resterende waarden van een deugd in een ondeugd veranderen. Het doorbreken van de integriteit van de syndromes is kortom sterk af te raden. "It's bootless to try to harmonize commerce and guardianship into one joint system of morality. Trying to do it can't produce harmony - quite the opposite. The contradictions are innate. We have no way to escape them." Zij onderbouwt deze bewering met vele kleine en grote voorbeelden van 'monstrueuze hybriden'.

Monstrueuze hybriden
De mafia zijn een bekend voorbeeld van zo'n hybride. Het basissyndroom van de mafia is guardian, maar de mafia shopt naar eigen believen in het commercial syndrome, met een kwalijke, onderontwikkelde samenleving als gevolg. Corruptie is een ander voorbeeld: het is niets anders dan de nesteling van de nastrevenswaardige commerciële waarde 'handel drijven' in het guardian syndrome. En daar vreet het de integriteit van dat syndroom aan. Jacobs noemt verder het opkweken van commerciële waarden bij de politie, via bijvoorbeeld bonussen bij veel arrestaties. Het leverde in de praktijk vaak valse arrestaties op. Jacobs gaat ook in op het militair-industrieel complex. De omvangrijke Amerikaanse wapenindustrie maakt in de basis deel uit van het commercial syndrome, maar doordat hun nagenoeg enige klant (het Pentagon) geen prioriteit legt bij lage prijzen en ze er bovendien innige relaties mee aangaan, is er in deze industrie weinig stimulans om efficiënter te produceren. Een regelrechte inbreuk op de integriteit van het commercial syndrome, met een kwalijke olievlekwerking op een inzakkende Amerikaanse industrie. Wat betreft de financiële sector is Jacobs met dit uit 1992 stammende boek een profete gebleken. Zij merkte toen al op dat de taal in de zakenpagina's van de kranten steeds militaristischer werd: 'rivalen', 'kapers op de kust', 'vijandige overnames', enzovoorts. Veel financiële bedrijven vormden oligopolies en kwamen in handen van leiders met een guardian state of mind; volgens Jacobs net zo geschikt voor het commerciële leven als Fidel Castro. Als 'takers' zich met 'trading' gaan bezighouden, dan is een monstrueuze hybride geboren. Marxistische landen die probeerden om het commerciële leven op een guardian leest te schoeien, kweekten vooral lange rijen voor lege winkels. Jacobs: "If you put economic planning into guardian hands, you get planning for guardian priorities."

Public-private partnership
Hoewel niet letterlijk door Jacobs genoemd, is het tegenwoordig populaire 'public-private-partnership' natuurlijk ook linke soep. Het veronderstelt dat beide syndromes bij elkaar op schoot zittend naar een gezamenlijk doel kunnen werken. Maar ze hebben ieder hun eigen bewegingsmechanismen, ook al betreft het eenzelfde project. Mislukkingen zijn er inmiddels al vaak geweest. Voor een commerciële partij gaat winst maken boven het publieke belang. Ambtenaren zijn geneigd dat te veroordelen, maar dat is volstrekt ten onrechte: het is een van de essenties en een drijvende kracht van het syndrome. Een andere bedenkelijke hybride is ongetwijfeld het hippe 'maatschappelijk verantwoord ondernemen'. Commerciële bedrijven worden mentaal belast met de zorg voor de externe effecten van hun handel. Deze last kan de drive aantasten die essentieel is voor hun ondernemerschap. Commercials moeten simpelweg ondernemen. Dat dat maatschappelijk verantwoord gebeurt, is een handhavingsverantwoordelijkheid van guardians. Die verantwoordelijkheid in de schoenen schuiven van commercials tast hun moraalsysteem aan en legitimeert guardians om achterover te leunen, waarmee het guardian syndrome ook nog eens wordt uitgehold. En tot slot natuurlijk Ambtenaar 2.0. Alle goede bedoelingen ten spijt zou Jacobs deze beweging waarschijnlijk als een potentiële monstrueuze hybride hebben getypeerd. Waarden als openheid, innovatie en ondernemerschap zijn in tegenspraak met het guardian syndrome. Het maakt krachten los die uiteindelijk ontwrichtend kunnen zijn voor de integriteit van dat syndrome. Moeten we Ambtenaar 2.0 hiermee afdoen als een naïeve of zelfs gevaarlijke modegril? Dat niet meteen, maar voor zelfgenoegzaamheid is het eveneens te vroeg.

Wat moeten we doen?
De integriteit van beide syndromes is volgens Jacobs wankel en in de praktijk moeilijk zuiver te houden. Ze noemt twee strategieën om dat toch zoveel mogelijk voor elkaar te krijgen: een rigide kastesysteem, of een flexibel systeem dat veel verantwoordelijkheid legt bij zelfonderzoek door individuen en organisaties. Uiteraard is alleen de laatste in de moderne Nederlandse context relevant. Relevant en nodig, zeker onder aanhangers van Ambtenaar 2.0. Deze beweging heeft een zelfverzekerd imago, maar misschien moeten we wel eerder spreken van een verhuld minderwaardigheidscomplex. Want waar guardians van oudsher een hogere status genieten dan commercials, lijkt de rangorde de laatste decennia te zijn omgedraaid. In onze huidige neoliberale tijdgeest worden ambtenaren vooral gezien als logge kostenposten. Jacobs heeft in haar hele boek geen waardeoordeel uitgesproken over beide syndromes, maar de meesten zullen anno 2014 geneigd zijn om de commercial waarden 'hoger' aan te slaan. Voor de ambtenaar wordt de verleiding dan groot om te gaan winkelen bij de hippe waarden van het commercial syndrome en daarmee zijn status te herwinnen. Natuurlijk, de nesteling van commercial waarden in het guardian syndrome geschiedt met de beste bedoelingen. Maar Jacobs waarschuwde dat dat vaak zo gaat: veel inbreuken op de integriteit van de twee syndromes lijken aanvankelijk logisch, wenselijk zelfs. Er gebeurt niets ergs, iedereen is blij. Alles gaat gewoon door, maar wel een millimeter dichterbij ontwrichting.

Geen ideologie
Ambtenaar 2.0 wordt gebracht als een versterkte beroepsmoraal. Dat is waarschijnlijk prima zolang het een verbetering van de dienstverlening nastreeft en zolang het beoogt om bureaucratische uitwassen te corrigeren. Of gewoon ambitie toont, in algemene zin. Tegelijk zou Jacobs zeggen: wees alert op hybrides. Doe regelmatig aan zelfonderzoek en veroordeel niet te gemakkelijk de ambtenaar 1.0. Er zijn historische redenen waarom zij zijn zoals ze zijn. In honderden jaren ingesleten patronen krijg je er niet zomaar uit, en zeker niet schadevrij. Maak dus van Ambtenaar 2.0 geen ideologie. Jacobs, in een van haar schaarse interviews: "I'm trying to say how things actually are, not how things ought to be according to some kind of ideology."



terug naar boven